RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1], V-nummer: [nummer 1], eiseres 1
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.58279 en NL26.58302
[eiseres 2], V-nummer: [nummer 2], eiseres 2,
hierna tezamen aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eisers is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers zijn het niet eens met die maatregel. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eisers een schadevergoeding moet worden toegekend.
Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat de minister ten onrechte eiseres 2 niet heeft gehoord en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
Vw: Vreemdelingenwet 2000;
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 29 september 2026 (bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft op 2 oktober 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
3. Eisers stellen van Ethiopische nationaliteit te zijn. Eiseres 1 stelt te zijn geboren op [geboortedag 1] 1989 en eiseres 2 stelt te zijn geboren op [geboortedag 2] 2013.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is er een wettelijke grondslag voor de maatregel?
4. Tijdens de zitting heeft de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld de vraag of er een wettelijke grondslag bestaat voor de maatregel. Beide partijen hebben tijdens de zitting verzocht om deze vraag schriftelijk te beantwoorden. De rechtbank ziet daarvoor geen noodzaak, nu de rechtbank al op andere gronden tot het oordeel komt dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is. Dit legt zij hierna uit.
De bewaringsgronden
5. De minister heeft aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eisers:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;e. zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reis- of identiteitsdocumenten;k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;s. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft eiseres 2 ten onrechte niet gehoord over de maatregel
6. Eisers betogen dat de minister eiseres 2 ten onrechte niet heeft gehoord. De minister heeft voorafgaand aan de maatregel eiseres 1 gehoord in aanwezigheid van eiseres 2, maar de minister heeft niet aan eiseres 2 gevraagd haar zienswijze te geven op de maatregel. Daardoor kan niet worden geconcludeerd dat eiseres is gehoord.
De minister betoogt dat er geen verplichting bestaat om eiseres 2, een minderjarige van 13 jaar, te horen. Ook in het geval er een verplichting bestaan, dan geldt dat zij wel degelijk is gehoord. Ze was immers aanwezig tijdens het gehoor van eiseres 1 en er zijn ook vragen aan haar gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres 2 ten onrechte niet heeft gehoord en dat er ten onrechte niet naar haar mening is gevraagd voorafgaand aan de maatregel van bewaring. Zij legt dit oordeel hierna uit.
De rechtbank verwijst ter motivering van dit oordeel allereerst naar de uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 31 maart 2026. Wat de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen in rechtsoverwegingen 5 tot en met 18 moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, in die zin dat in plaats van artikel 5.2, eerste lid, van het Vb in rechtsoverweging 6 artikel 5.8, eerste lid, van het Vb moet zijn.
De rechtbank stelt vast dat eiseres 2 tijdens het gehoor van eiseres 1 aanwezig was. Ook stelt de rechtbank vast dat er twee vragen aan haar zijn gesteld, namelijk ‘wat zij vindt van de uitzetting naar Duitsland’ en ‘hoe het met haar gezondheid is’. De gehoormedewerker heeft echter niet gevraagd wat eiseres 2 van de voorgenomen maatregel vindt. Ook is eiseres 2 niet op een andere manier expliciet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over deze maatregel te geven. De aan eiseres 2 gestelde vragen gaan hier immers niet over en kunnen ook niet worden opgevat als een uitnodiging een zienswijze te geven over de op te leggen maatregel. Gelet hierop kan ook niet worden geoordeeld dat eiseres 2 is gehoord over de maatregel. Ze is uitsluitend gehoord over de overdracht en haar gezondheid. Nu aan eiseres 2 een eigen maatregel is opgelegd was er extra reden om naar haar visie te vragen. Gelet hierop heeft de minister het bestreden besluit gericht aan eiseres 2 onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel dan inbewaringstelling
7. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een onderduikrisico. Weliswaar worden de gronden van artikel 5.6 van het Vb niet betwist, maar de minister is desondanks gehouden een individuele beoordeling te maken of sprake is van een concreet onderduikrisico. Eisers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 2014. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het al toegepaste lichter middel, het verblijf in een zogenaamde vrijheidsbeperkende locatie (VBL), onvoldoende was. Weliswaar zijn eisers op 7 april 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken, maar zij hebben zich daarna uit eigen beweging weer gemeld bij de minister met het oog op overdracht aan Duitsland. Eisers hebben zich zelfstandig gemeld vóór 23 juli 2026, hebben zich daarvoor op 24 juni 2026 ook aangemeld bij het IOM, hebben vanaf toen hun verblijf telkens op het azc gehad en hebben zich vanaf dat moment niet onttrokken aan het toezicht. Bovendien hebben zij meegewerkt aan de overdracht aan Duitsland. Ten slotte is eiseres 2 minderjarig en de minister is in de motivering van het lichter middel onvoldoende ingegaan op de situatie en belangen van eiseres 2. De minister heeft in dit verband enkel volstaan met de mededeling dat het niet in het belang van eiseres 2 is dat zij wordt gescheiden van haar moeder.
De minister verwijst naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en stelt zich op het standpunt dat alleen al hieruit een onderduikrisico volgt. Zwaarwegend hierbij is dat eisers eerder met onbekende bestemming zijn vertrokken. Bovendien is vrijwillige uitzetting met het IOM niet doorgegaan, omdat eiseres de benodigde informatie niet heeft gegeven en/of instructie niet heeft opgevolgd. De minister betoogt dat in de maatregel voldoende is gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het is onduidelijk hoe de feitelijke gang van zaken is geweest nadat eisers op 7 april 2026 met onbekende bestemming zijn vertrokken. De minister heeft tijdens de zitting gezegd dat eisers zich in juni 2026 hebben gemeld bij het IOM en een vertrekgesprek hebben gehad bij het IOM, maar zich pas op 10 september 2026 hebben gemeld bij Ter Apel. Zij zijn vervolgens op 14 september 2026 in de VBL geplaatst. In de maatregel staat echter dat eisers op 23 juli 2026 een vertrekgesprek hebben gehad. Dit wijst erop dat eisers op die datum bij DT&V een vertrekgesprek moeten hebben gehad en zij zich dus al eerder dan 10 september 2026 hebben gemeld bij de minister. Feit is dat eisers zich op enig moment na de eerdere MOB-melding zich opnieuw tot de minister hebben gewend en nergens blijkt uit dat eisers zich daarna aan het toezicht hebben onttrokken. Het is dus mogelijk dat eisers al sinds 23 juli 2026 weer onafgebroken in beeld zijn bij de minister. Nu deze gang van zaken onduidelijk is, ziet de rechtbank onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het gedrag van eisers en de overige feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht zodanig zijn dat geen sprake was van een onderduikrisico.
De rechtbank is echter van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het al ingezette lichter middel ‘het verblijf in de VBL’. De minister heeft in de maatregel weliswaar verwezen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, het feit dat eisers eerder met onbekende bestemming zijn vertrokken en zij zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen die op hen rusten. Maar uit de motivering volgt niet of, en zo ja, hoe de minister hierbij heeft betrokken dat eisers op enig moment uit eigen beweging zich weer hebben gemeld bij de minister. Dat de minister hieraan geen aandacht heeft besteed in de motivering volgt alleen al uit het feit dat niet duidelijk blijkt wanneer eisers zich weer hebben gemeld bij de minister. Zo is in de maatregel vermeld dat eisers op 9 juli 2026 niet meer op de COa-locatie verblijven en op 14 september 2026 zijn geplaatst in de VBL, maar hieruit volgt niet wanneer eisers zich dan wel uit eigen beweging hebben gemeld bij de minister. De minister heeft tijdens de zitting in aanvulling hierop verklaard dat eisers zich op 10 september 2026 hebben gemeld in Ter Apel. In de maatregel staat echter ook dat eisers op 23 juli 2026 nog een vertrekgesprek hebben gehad. Dat betekent dat eisers dus in ieder geval op 23 juli 2026 weer in beeld waren bij de minister en niet is gemotiveerd en onderbouwd dat zij daarna zich weer hebben onttrokken aan het toezicht. Verder is onduidelijk hoe de minister de omstandigheid dat eisers zich uit eigen beweging hebben gemeld, weegt. In de maatregel is ook niet uitgelegd waarom ondanks het uit eigen beweging melden en de plaatsing in de VBL niet kon worden volstaan met dit ingezette lichter middel. Noch uit de motivering in de maatregel, noch de toelichting ter zitting volgt een concreet feit of aanwijzing dat de al ingezette VBL niet afdoende was. Weliswaar verwijst de minister naar de brief van het IOM, maar die brief gaat over vrijwillige uitzetting naar Ethiopië. En, als eisers stellen te vrezen voor vervolging in Ethiopië, kan het hen niet worden verweten dat zij niet meewerken aan vrijwillig vertrek naar Ethiopië. Bovendien volgt hieruit niet dat eisers niet willen meewerken aan overdracht aan Duitsland. Ook volgt hieruit niet dat de plaatsing in de VBL onvoldoende waarborg bood. De verwijzing naar deze brief is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat het verblijf in de VBL ontoereikend was. Ten slotte is onduidelijk of de belangen van eiseres 2 maken dat een lichter middel had moeten worden opgelegd. Nu zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze te geven, is onduidelijk of er belangen waren die tot toepassing van een lichter middel noopten.
Conclusie en gevolgen
8. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de maatregel van bewaring vanaf 29 september 2026 onrechtmatig is. De beroepen tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn daarom gegrond. Omdat de bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig.
De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,- per persoon, dus in totaal € 960,-.
Eisers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen waarbij de beroep als samenhangende zaken worden aangemerkt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 960,- aan schadevergoeding aan eisers, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.