Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/179399-26
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R. Poyraz naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 september 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] te richten en/of met voornoemd vuurwapen op, althans in de richting van, die [slachtoffer] te schieten;
2
hij op of omstreeks 6 september 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk de garagedeur van de [woongebouw] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Woonhave Rotterdam, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 23 juni 2026 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard meerdere wapens en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR en/of
- acht stuks (bijbehorende) munitie, kaliber .22 LR en/of
- een gaspistool, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knal en/of
- 21 stuks (bijbehorende) munitie, kaliber 9mm PAK
zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of zijnde munitie voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2
Er zijn camerabeelden beschikbaar, afkomstig uit de parkeergarage van de [woongebouw] te Den Haag, de plaats-delict. De verbalisant heeft de verdachte op deze camerabeelden herkend als persoon NN01 op basis van specifieke onderscheidende persoonskenmerken zoals de vorm van het hoofd, de vorm van de wenkbrauwen, het lichtje snorretje en de schaduw onder de onderlip. De herkenning van de verbalisant vindt steun in de telefoongegevens van de verdachte. Het telefoonnummer van de verdachte maakte op het moment dat de verdachten op de plaats-delict waren verbinding met het basisstation aan het Drentheplantsoen. De plaats-delict valt binnen het theoretische zendbereik van dit station. Daar komt bij dat de verdachte en de medeverdachten bekenden zijn van elkaar. Op grond van deze feiten in onderlinge samenhang beschouwd, kan worden vastgesteld dat de verdachte persoon NN01 op de camerabeelden is. Op de camerabeelden is te zien dat deze NN01 de garagedeur van de [woongebouw] opent voor de rest van de groep, en dat deze persoon die even later als vierde in de groep liep, schiet in de richting van de linkerzijde van de garage, en dat een ander persoon vanaf de linkerzijde achter hen aanliep.
De verklaring van de verdachte dat zijn telefoon die nacht verbinding maakte met het desbetreffende basisstation omdat hij op bezoek was bij een vriendin van hem die woont in de buurt van dat basisstation, schuift de rechtbank als niet aannemelijk geworden terzijde.
De verdachte is pas ter terechtzitting gekomen met deze verklaring, waardoor hij deze heeft kunnen afstemmen op de inhoud van het volledige dossier. Daar komt bij dat de verdachte zijn verklaring niet heeft onderbouwd en dat de verklaring op geen enkele wijze ondersteuning vindt in het dossier. Uit het dossier blijkt juist dat het telefoonnummer van de verdachte niet lang na het incident om 03:33 uur verbinding maakt met een basisstation in Rotterdam en ergens tussen 03:39 uur en 06:49 uur met een basisstation in Spijkenisse (de woning waar de verdachte verbleef bevindt zich in Spijkenisse). Dit past goed bij het scenario dat de verdachte betrokken was bij de vernieling en bedreiging, waarna hij is gevlucht en is gereisd naar het adres waar hij verbleef, en minder goed bij het scenario dat hij op bezoek was bij een vriendin (bij wie hij dan midden in de nacht moet zijn vertrokken).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 6 september 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten;
2
hij op 6 september 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk de garagedeur van de [woongebouw] , die aan Woonhave Rotterdam toebehoorde, heeft beschadigd;
3
hij op 23 juni 2026 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard meerdere wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR en
- acht stuks (bijbehorende) munitie, kaliber .22 LR en
- een gaspistool, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knal en
- 21 stuks (bijbehorende) munitie, kaliber 9mm PAK
zijnde vuurwapens in de vorm van een revolver, pistool en munitie voorhanden heeft gehad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke straf moet worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen op 6 september 2025 de garagedeur van de [woongebouw] in Den Haag geforceerd - vermoedelijk om in de garage een diefstal te kunnen plegen - en vervolgens [slachtoffer] , de huismeester van de flat, bedreigd door met een vuurwapen in zijn richting te schieten. Achteraf is gebleken dat de verdachte heeft geschoten met een knalpatroon, maar dit wist [slachtoffer] niet op het moment dat hij werd beschoten. Uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] nog steeds angstig is in de flat. Hij wil het liefst verhuizen, omdat hij bang is om herkend te worden. Daarnaast heeft hij sinds het incident last van slaapproblemen, waar hij medicatie voor krijgt. Ook heeft de knal van het wapen zijn tinnitusklachten verergerd. Feiten als deze zullen ook voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij de andere bewoners van de flat en bij de samenleving in het algemeen. Daarnaast zijn op 23 juni 2026 bij de doorzoeking van de woning waar de verdachte verbleef een omgebouwde alarmrevolver, een gaspistool en bijbehorende munitie aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris over de verdachte van 25 juni 2026. Het voorlopige advies van de reclassering is om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte functioneert leeftijdsadequaat, er is geen sprake van schoolgang en hij werkt fulltime. Van een pedagogisch leefklimaat is geen sprake meer. De verdachte woont afwisselend bij zijn vriendin, vader en zus en geeft zelfstandig invulling aan zijn dagelijks leven. Hij is praktisch zelfredzaam, heeft geen behoefte aan begeleiding en draagt financieel bij aan de vaste lasten van zijn vader. Daarnaast vervult hij zelf een ouderrol. Er zijn derhalve geen indicaties voor noodzaak tot gezinsgerichte hulpverlening, hetgeen de toepassing van het volwassenenstrafrecht ondersteunt.
Volwassenenstrafrecht
Gelet op het advies van de reclassering en de daarin genoemde omstandigheden zal de rechtbank, overeenkomstig het uitgangspunt van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het volwassenenstrafrecht toepassen bij de bepaling van de op te leggen straf.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als uitgangspunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor bedreiging met het tonen van een (nep)vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden vermeld. Als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een revolver in een woning staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden vermeld. Als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een gaspistool staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand vermeld. Daarbij heeft de verdachte een hoeveelheid bijbehorende munitie voorhanden gehad en was de ongebouwde alarmrevolver daarmee geladen. Deze gecombineerde aanwezigheid van wapens en munitie levert een strafverzwarende omstandigheid op. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank zal bij de strafmaat in matigende zin rekening houden met de jonge leeftijd van de verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot het moment van deze einduitspraak. De voorlopige hechtenis herleeft dus op het moment van de uitspraak van rechtswege.
De rechtbank ziet aanleiding om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen, onder dezelfde voorwaarden die daaraan tot op heden waren verbonden. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de persoonlijke omstandigheden die tot de schorsing van de voorlopige hechtenis hebben geleid, nu nog steeds aanwezig zijn. Het enkele feit dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de strafvorderlijke en maatschappelijke belangen nu zwaarder moeten wegen dan het belang van de verdachte om het onherroepelijk worden van het vonnis in vrijheid af te wachten.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 700, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volgens de benadeelde partij uit resterende materiële schade die verband houdt met een poging zijn motorfiets te stelen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. Een poging tot diefstal van de motor is immers niet tenlastegelegd aan de verdachte.
Proceskosten
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag zou de vergoeding zijn van immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en dat de vordering van de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen dan wel dat een aanzienlijk lager bedrag moet worden toegekend, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade (smartengeld) in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW valt. De aard en ernst van de normschending brengen met zich dat de door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen (de rechtbank wijst in dit verband op hetgeen zij heeft overwogen over de ernst van het feit). Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd over het geestelijk letsel, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000, -. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op categorie 19.5 van de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin voor bedreiging een bedrag tot € 1.500, - staat vermeld. Door het feit heeft de benadeelde ook lichamelijk letsel opgelopen (als gevolg van het incident is zijn reeds bestaande tinnitus verergerd), zodat de rechtbank een bedrag van in totaal € 2.000, - billijk acht.
Voor zover meer is gevorderd zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8. De in beslag genomen voorwerpen
De rechtbank zal – op vordering van de officier van justitie – de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
- een omgebouwde alarmrevolver, fabrikant Bruni SRL, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR;
- acht stuks (bijbehorende) revolvermunitie, kaliber .22 LR;
- een gaspistool, fabrikant Atak Arms, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knall, serienummer A3IZR9FYS12-2500737;
- 21 stuks (bijbehorende) knalmunitie, merk Pobjeda, kaliber 9mm PAK.
Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36 b, 36c, 36f, 47, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis;
schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden, onder de volgende voorwaarden:
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zal hij zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
5. De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.
6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000, - en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer] ;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 2.000, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende voorwerpen:
- een omgebouwde alarmrevolver, fabrikant Bruni SRL, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR;
- acht stuks (bijbehorende) revolvermunitie, kaliber .22 LR;
- een gaspistool, fabrikant Atak Arms, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knall, serienummer A3IZR9FYS12-2500737;
- 21 stuks (bijbehorende) knalmunitie, merk Pobjeda, kaliber 9mm PAK.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2026.