RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.47087 (beroep) en NL26.47088 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana)
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
1. Eiser is geboren in Gaza. Hij is daarvandaan gevlucht en heeft in Griekenland asiel gekregen. Na vier jaar in Griekenland te hebben verbleven, is eiser naar Nederland gekomen. De omstandigheden in Griekenland zijn volgens eiser zo slecht, dat hij daar niet wil blijven. Eiser heeft daarom asiel aangevraagd in Nederland.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Hoewel de omstandigheden in Griekenland voor mensen met een asielvergunning niet goed zijn, vindt verweerder dat eiser zichzelf kan redden in Griekenland.
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit van verweerder. Hij heeft hiervoor argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden.
De rechtbank heeft verweerders besluit getoetst op basis van de beroepsgronden. De rechtbank volgt verweerder en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en moet terugkeren naar Griekenland.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Hij is op [geboortedatum] 1998 geboren, in Gaza. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen worden opgeschort tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft in Gaza meerdere oorlogen meegemaakt. Als bedoeïenen werden eiser en de inwoners van zijn dorp beschouwd als collaborateurs met Israël. In 2019 heeft Hamas daarom geprobeerd eisers dorp te vernietigen. Bij de laatste oorlog is eisers huis vernietigd. Eiser heeft Gaza in 2021 verlaten vanwege de permanente onveiligheid. Hoewel eiser al in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen, kan hij daar niet blijven. De omstandigheden in Griekenland voor statushouders zijn slecht en hij kan daar geen leven opbouwen.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Uit Eurodac blijkt namelijk dat eiser op 15 maart 2022 in Griekenland een asielverzoek heeft gedaan. Sinds 31 maart 2022 heeft hij internationale bescherming in Griekenland. Tot 11 februari 2026 heeft hij in Griekenland verbleven. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser dit bevestigd. Volgens verweerder is eiser een volwassen en niet-kwetsbare persoon en kan hij zichzelf redden in Griekenland. Eiser heeft immers al vier jaar in Griekenland verbleven.
Verweerder draagt eiser daarom op om terug te gaan naar Griekenland. Dit doet verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5. Eiser voert primair aan dat verweerders beleid, zoals neergelegd in informatiebericht (IB) 2026/1, geen stand kan houden. Op 7 november 2022 heeft verweerder besloten om statushouders niet langer terug te sturen naar Griekenland en op 11 maart 2025 heeft verweerder bevestigd dat deze werkwijze ongewijzigd blijft, omdat er nog steeds geen verbeteringen in Griekenland zijn. Verweerder stelt zich met IB 2026/1 opeens op het standpunt dat Griekse statushouders die zelfredzaam zijn, een uitzondering zijn op deze werkwijze. Volgens eiser heeft verweerder zijn standpunt ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser beroept zich op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juli 2021, waarin is geoordeeld dat de Griekse autoriteiten in de praktijk niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften. Verweerders beleid is volgens eiser niet te verenigen met de Afdelingsuitspraak.
Subsidiair voert eiser aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zelfredzaam is. Eiser is immers kwetsbaar. Eiser heeft zich in Nederland suïcidaal geuit. Hiervan is een calamiteitenmelding. De suïcidedreiging is gerelateerd aan een eventuele terugkeer naar Griekenland, zo blijkt uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor. Verweerder heeft de calamiteitenmelding en het medisch advies ten onrechte niet betrokken bij zijn besluitvorming. Daarnaast voert eiser aan dat hij in de vier jaar dat hij in Griekenland verbleef, in een bouwval sliep. Er was geen elektriciteit, er zat geen glas in de ramen, maar hekken en de woning was vies en vol ongedierte. Daarnaast kon eiser wel eens werken, maar dit was informeel werk en hij kreeg onderbetaald. Ook had hij geen toegang tot gezondheidszorg.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard,
indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Deze bepaling wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het eerste lid van artikel 3.106a van het
Vb volgt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de beginselen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering zal worden behandeld.
Het uitgangspunt is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het
Handvest, het Vluchtelingenverdrag, en het EVRM (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
Voor Griekenland ligt dit anders. Uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli
2021 volgt dat de Griekse autoriteiten, ondersteund door verschillende ngo’s, weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Verweerder kan ten aanzien van Griekenland daarom niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom is de bewijslast omgedraaid en moet verweerder in zaken van Griekse statushouders aannemelijk maken dat een Griekse statushouder bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het
Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader
onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in
Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in
informatiebericht (IB) 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon
beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-
ontvankelijk kon worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Vw. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september
2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (het tweede
verslag) gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31
vervangen door IB 2025/20. Uit IB 2025/20 volgt dat verweerder een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan verklaren, als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig kan handhaven. Dit ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ is in IB 2025/20 echter niet kenbaar uitgewerkt.
Met het bestreden besluit heeft verweerder zijn beleid toegepast zoals neergelegd in IB 2026/1. Hierin staat het zelfredzaamheidscriterium. Volgens dit criterium is een vreemdeling zelfredzaam, als hij beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen, alleenstaande man is en niet kwetsbaar is. Wanneer een vreemdeling wordt aangemerkt als zelfredzaam, dan gaat verweerder ervan uit dat hij in Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. Verweerder kan de asielaanvraag dan niet-ontvankelijk verklaren. Niet-ontvankelijk verklaren is ook mogelijk wanneer de Griekse verblijfsvergunning verlopen is. Een verlopen verblijfsstatus kan immers verlengd worden. Dit kan de vreemdeling echter niet vanuit Nederland doen en de procedure voor verlening kan enige maanden duren. In deze gevallen is het temeer van belang om goed te onderbouwen dat de vreemdeling na vergunningverlening in Griekenland als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig zal kunnen handhaven. Bij de beoordeling van zelfredzaamheid moeten altijd de individuele omstandigheden betrokken worden. Pas wanneer de internationale bescherming expliciet is ingetrokken, heeft de vreemdeling geen verblijfsrecht meer in Griekenland.
Recent is een nieuw informatiebericht verschenen, namelijk IB 2026/31. Dit nieuwe informatiebericht bevat een uitbreiding van de criteria zoals benoemd in IB 2026/1, maar geen wijziging ten opzichte van het voorgaande zelfredzaamheidscriterium.
Zelfredzaamheid en risico op zeer verregaande materiële deprivatie
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van zelfredzame vreemdelingen mag verwachten dat zij teruggaan naar Griekenland en daar niet in een situatie terecht zullen komen van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verweerder heeft onder meer terecht verwezen naar het AIDA-rapport over Griekenland van september 2025 en het rapport van de UNHCR genaamd ‘Greece Protection Monitoring of Refugees- Key findings 2024’ en zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Griekenland voor statushouders sinds de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021 is verbeterd. Deze verbetering is onder meer gelegen in de aanzienlijk verkorte wachttijden voor het verlengen van de verblijfsvergunning, de stijging van het aantal daklozenopvangcentra in Athene, een programma voor huisvesting waar statushouders beroep op kunnen doen en een sterke toename van het aantal statushouders dat werk heeft gevonden. De rechtbank stelt vast dat er inmiddels een nieuw AIDA-rapport over Griekenland is verschenen: het AIDA-rapport van juli 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met zijn verweerschrift echter terecht op het standpunt gesteld dat dit AIDA-rapport geen ander beeld laat zien dat het AIDA-rapport van september 2025.
Wel overweegt de rechtbank dat uit het recent verschenen rapport van Refugee Support Aegean (RSA) blijkt dat er in Griekenland nog steeds problemen zijn voor statushouders, met name bij het effectueren van hun rechten op sociale zekerheid, gezondheidszorg en het verkrijgen van werk en huisvesting. Verweerder heeft dit ook niet betwist. In beroep heeft verweerder echter terecht gewezen op het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM niet ertoe verplicht dat lidstaten iedere vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorziet van een huis of financiële hulp om een bepaalde levensstandaard te behouden. Informele huisvesting en informeel werk is voldoende.
Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op twee uitspraken van het Duitse Verwaltungsgerichtshof van 6 augustus 2024, waarin is aangenomen dat voor mannelijke, erkende begunstigden die alleen naar Griekenland terugkeren en jong, gezond en in staat zijn om te werken, geen sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid omdat de arbeidsmarktsituatie in Griekenland aanzienlijk is verbeterd, de dakloosheid is teruggedrongen en spoedeisende zorg in de publieke gezondheidszorg is gegarandeerd. Dit oordeel is bevestigd in de uitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van 23 oktober 2025, waarin het onwaarschijnlijk is geacht dat alleenstaande niet kwetsbare mannen niet in staat zijn onderdak te vinden en eerst inkomen te verkrijgen uit de informele arbeidssector. Ook de Belgische rechter heeft meerdere keren bevestigd dat ten aanzien van zelfredzame Griekse statushouders met een geldige ADET mag worden uitgegaan dat zij niet in een situatie van vergaande materiele deprivatie terecht zullen komen bij terugkeer naar Griekenland. De rechtbank leidt hieruit af dat ook rechters in andere Europese landen van een vergelijkbaar zelfredzaamheidscriterium uitgaan.
Verweerder heeft in dit kader ook kunnen verwijzen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 22 mei 2026. In deze uitspraak heeft zittingsplaats Rotterdam verweerders motivering voor het zelfredzaamheidscriterium uiteengezet. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft vervolgens geoordeeld dat het zelfredzaamheidscriterium, zoals neergelegd in IB 2026/1, stand kan houden. De Afdeling heeft de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam bevestigd.
Eisers individuele omstandigheden
8. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de maatstaf is of iemand in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. Het gaat daarbij om het kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften: wonen, eten, zich wassen. Dat de situatie in Nederland voor eiser gunstiger is dan in Griekenland is dus niet bepalend.
9. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden als zelfredzaam kan worden beschouwd. Bij terugkeer naar Griekenland zal eiser dus niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Eiser heeft een Griekse verblijfsvergunning die geldig is tot 30 maart 2028. Hij heeft ook een broer die in Griekenland woont. Eiser heeft bijna vier jaar in Griekenland verbleven. Tijdens deze jaren had hij onderdak en heeft hij zich staande kunnen houden. Ter zitting heeft hij dit bevestigd. Eiser vertelde ter zitting dat hij in de wintermaanden in een vervallen huis verbleef dat hij deelde met andere statushouders. In de zomer verplaatsten zij naar een ander huis. Eiser had in die woningen geen toegang tot stromend water. Hij moest zich wassen in zee. Ook was er geen wc in de woningen aanwezig. Er kwamen wel eens gemeenteambtenaren en werknemers van ngo’s langs bij de woningen die zagen dat de leefomstandigheden niet goed waren, maar zij deden niets om de leefomstandigheden te verbeteren. Daarnaast vertelde eiser dat hij gewerkt heeft in de bouw en soms als hovenier. Dat waren zware klussen. Hij kon één à twee keer per week werken, maar soms kon hij een hele week niet werken. Iedere dag ging hij naar een verzamelpunt voor migranten en hoopte hij dat hij werd uitgezocht om te werken, maar hij wist nooit van tevoren of hij werd uitgekozen voor een klus. Hij heeft zes maanden lang financiële steun ontvangen van een vrouw genaamd [naam 2] , die bij de gemeente werkte. Die financiële steun bestond uit
€ 200,- per maand. Verder vertelde eiser dat hij een keer ziek werd en huiduitslag kreeg. Hij probeerde toen naar het ziekenhuis te gaan, maar hij kreeg geen toegang tot medische zorg omdat hij geen AMKA-verklaring heeft. Ook vertelde eiser dat hij graag Grieks wilde leren via een talenschool. Hij heeft hiervoor ngo’s benaderd, maar kreeg geen gelegenheid om de taal te leren. Door zijn verblijf in Griekenland en door slechte berichten over zijn familie kreeg eiser suïcidale gedachten. Hij wil niet terug naar Griekenland.
De rechtbank ziet in dat de leefomstandigheden van eiser in Griekenland slecht waren. Desalniettemin heeft eiser zich bijna vier jaar staande gehouden, heeft hij kunnen werken en heeft hij een woning gehad. Ook stond hij in contact met ngo’s en autoriteiten ( [naam 2] ) en heeft hij gedurende zes maanden financiële overheidssteun ontvangen. Het is eiser weliswaar niet gelukt om een betere woning te krijgen en een taalcursus te regelen, maar eiser wist wel de route naar ngo’s en autoriteiten te bewandelen. Hoewel eiser ook niet de juiste zorg heeft gekregen voor de bulten op zijn huid, blijkt uit het tweede verslag feitenonderzoek dat er ook voor het verkrijgen van toegang tot medische zorg hulp kan worden ingeroepen van ngo’s. Nu eiser voor andere voorzieningen wel hulp heeft weten in te schakelen van ngo’s, verwacht de rechtbank dat hij voor toegang tot medische zorg ook de route naar de ngo’s kan vinden. Bovendien is eisers Griekse verblijfsvergunning nog geldig. Hij hoeft bij terugkeer dus niet opnieuw een vergunning aan te vragen. Verder heeft eiser een broer in Griekenland wonen en daarmee heeft hij een sociaal netwerk.
De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij dakloos was in Griekenland. Met zijn aanvullende gronden heeft eiser voor het eerst gezegd dat hij wél onderdak had en dat hij in een vervallen woning sliep. Dat eiser geen stromend water had en dat hij zich in zee moest wassen, heeft hij echter ter zitting voor het eerst verklaard. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in zijn beroepsgronden heeft gesteld dat er geen elektriciteit in de woning was. De rechtbank ziet echter op meerdere door eiser ingestuurde foto’s van de woning stekkers en meerdere opladers in stopcontacten. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de foto’s blijkt dat er een wasbak en een kraan in de woning aanwezig waren. Uit de foto’s kan de rechtbank niet afleiden dat eiser geen toegang had tot elektriciteit of stromend water.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser zich tijdens het nader gehoor suïcidaal heeft geuit. Hij heeft in het nader gehoor verklaard; ‘Als ze mij hier niet toelaten, dan zouden ze mij terug moeten sturen naar Griekenland en daar ga ik zelfmoord plegen’. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het protocol is dat er dan een calamiteiten melding wordt gemaakt, hetgeen ook is geschied. Nergens blijkt echter uit dat eiser onder behandeling staat voor zijn psychische klachten. De enkele omstandigheid dat eiser, zo hij heeft gesteld ter zitting, eenmalig met een psycholoog van het GZA heeft gesproken, is daartoe onvoldoende. Nergens blijkt uit dat eiser daarna nogmaals bij een psycholoog of psychiater is geweest. Dat eiser vanwege zijn psychische gezondheid kwetsbaar is, is de rechtbank daarom onvoldoende gebleken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.