[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 mei 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
2. Eiser heeft de Malinese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985.
Opvolgende aanvraag
Eiser heeft eerder, op 2 april 2024, asiel aangevraagd. Op 2 december 2025 is deze
aanvraag ongegrond verklaard. Eisers beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank op 3 april 2026 ongegrond verklaard.
Op 2 mei 2026 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser de volgende stukken overgelegd:
- overzicht van eisers huisartsconsults, 15 april 2024 tot en met 16 april 2026;
- aanvraagformulier iMMO-onderzoek, 1 mei 2026;
- signaleringslijst lichamelijke en psychische problemen iMMO, 13 maart 2026;
- mailwisseling tussen [A] van Jeune Afrique en Vluchtelingenwerk, 23 april 2026;
- brief met bijlages van de Helpdesk Landeninformatie van Vluchtelingenwerk over de veiligheidssituatie in Bamako, Mali, 28 april 2026;
o bijlage 1: UNHCR ‘Position on Returns to Mali - update III’, januari 2022;
o bijlage 2: Reuters, ‘Mali at risk of splintering after jihadi and separatist attacks’, 27 april 2026;
o bijlage 3: NOS, ‘Gevechten in Mali tussen leger en gewapende groepen laaien opnieuw op’, 26 april 2026;
o bijlage 4: BBC, ‘Armed groups launch coordinated attacks across Mali’, 26 augustus 2026;
o bijlage 5: The Guardian, ‘Militants and separatists launch coordinated attacks across Mali’, 25 april 2026;
o bijlage 6: Le Monde, ‘Jihadists shake Mali junta with unprecedented attack’, 25 april 2026;
o bijlage 7: CGRS-CEDOCA - Office of the Commissioner General for Refugees and Stateless Persons (Belgium), COI unit: ‘Mali: Situation sécuritaire’, 10 december 2025;
o bijlage 8: Africa News, ‘Jihadist prisoner release secures fuel convoy truce in Mali’, 23 maart 2026;
o bijlage 9: TOELT — Mali: Veiligheidssituatie in 2024, 1 februari 2025;
o bijlage 10: Business Insider Africa, ‘Italy follows U.S. warning, advises its citizens to evacuate Mali’, 30 oktober 2025;
o bijlage 11: ‘JNIM Attacks Across Mali; Biya Faces Challengers in Cameroon: Africa File’, 3 juli 2025;
o bijlage 12: ‘Afrique-sur7: Mali : au moins 2 morts et 10 blessés dans l'attaque d'un convoi ministériel’, 28 februari 2025;
o bijlage 13: ACLED, Conflict Watchlist 2025: ‘The Sahel and Coastal West Africa’, 12 december 2024;
o bijlage 14: BAMF - Federal Office for Migration and Refugees (Germany): Briefing Notes (KW39/2024), 23 september 2024;
o bijlage 15 CGRS-CEDOCA (Office of the Commissioner General for Refugees and Stateless Persons (Belgium), COI unit), ‘Mali: Situation à Bamako’, 19 april 2024;
o bijlage 16: ISW - institute for the Study of War, Africa File, ‘Jnim strengthening near Bamako; Kremlin and Nigeria discuss partnership’, 7 maart 2024
o bijlage 17: ACLED, Actor Profile: Jama'at Nusrat al-lslam wal-Muslimin, 13 november 2023;
o bijlage 18: Africa Center for Strategic Studies, published by ReliefWeb: ‘Au Mali, la catastrophe s'accélère sous le régime de la junte’, 21 juli 2023;
o bijlage 19: ISW - lnstitute for the Study of War, CT - Critical Threats Project: Salafi-Jihadi Movement Weekly Update, 26 mei 2023;
o bijlage 20: CT - Critical Threats Project: ‘Africa File: Al Qaeda - Linked Militants Take Control in Northern Mali’, 10 februari 2023.
Het bestreden besluit
De minister heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens de minister geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag. De minister acht daarbij het volgende van belang. Het beleid van Mali is sinds eisers vorige asielaanvraag niet gewijzigd. Zoals ook in het besluit van 9 december 2025 is benoemd, is er sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit is nog steeds het geval. De situatie in Mali en het willekeurige geweld zijn dan ook al meegenomen in eisers vorige asielaanvraag. Eiser heeft ook geen verdere informatie gegeven waarom hij persoonlijk meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen.
Gelet op het vorenstaande heeft de minister op grond van artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 afgezien van horen. De IND kan immers gelet op paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 besluiten om af te zien van een gehoor in de situatie dat er een beroep wordt gedaan op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat ze niet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure(s).
Beoordeling door de rechtbank
Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat de minister zijn opvolgende aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank volgt eiser in dit standpunt en zal dat hieronder uitleggen.
In de uitspraak van 10 februari 2026 heeft de Afdeling het toetsingskader in het geval van een opvolgende asielaanvraag als volgt uiteen gezet.
Uit artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat een opvolgende asielaanvraag ontvankelijk is wanneer er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of overgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof heeft in het arrest LH overwogen dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid uit twee fasen bestaat. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Als dat zo is, wordt in de tweede fase nagegaan of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
Het tweede en derde lid van artikel 40 van de Procedurerichtlijn zijn omgezet in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Uit dit artikel volgt dat een opvolgende aanvraag ontvankelijk is als daaraan nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit artikel gaat dus zowel over de eerste fase, bedoeld in het arrest LH (nieuwe elementen of bevindingen), als over de tweede fase (relevant voor de beoordeling van de aanvraag).
Op grond van artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn moet de minister beoordelen of nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Maar in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw gaat het erom of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarmee kent de Nederlandse implementatiewetgeving een minder streng ontvankelijkheidscriterium voor de tweede fase dan de Procedurerichtlijn. Daarom moet de minister in de tweede fase beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
In geschil is of de door eiser bij zijn opvolgende aanvraag overgelegde documenten zijn aan te merken als nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
De minister stelt zich op het standpunt dat dit niet zo is en voert ter onderbouwing aan dat er geen sprake is van een gewijzigd landenbeleid ten aanzien van Mali. De minister stelt daarbij dat de overgelegde landeninformatie het standpunt niet anders maakt maar de minister laat daarbij na om uit te leggen waarom de door eiser overgelegde informatie dit standpunt niet anders kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de inhoud van de door eiser overgelegde documenten door de minister ten onrechte niet in het standpunt betrokken. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2023 waarin is geoordeeld dat de minister bij de ontvankelijkheidsvraag tot op bepaalde hoogte inhoudelijk moet ingaan op de opvolgende aanvraag om te beoordelen of nieuwe elementen en bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag en de minister in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid invulling moet geven aan zijn samenwerkingsplicht en dit onder meer kan doen door de documenten inhoudelijk te bezien en de documenten te beoordelen aan de hand van eerder overgelegde documenten of landeninformatie.
Ook ter zitting heeft de gemachtigde van de minister voorgaand standpunt gehandhaafd zonder daarbij daadwerkelijk in te gaan op de inhoud van de door eiser overgelegde documenten. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2024. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verwijzing naar deze uitspraak de minister niet baten. Uit die uitspraak blijkt namelijk dat in die zaak juist wel inhoudelijk naar de door de vreemdeling overgelegde documenten is gekeken. Zo staat in rechtsoverweging 7.2 van die uitspraak bijvoorbeeld: ‘De minister heeft gekeken naar en gereageerd op de landeninformatie en de nieuwsartikelen die zijn overgelegd door eiser, zijn verklaringen zoals gegeven in het gehoor van 26 september 2024 en de redenen waarom de eerdere asielaanvragen zijn afgewezen. De minister heeft vervolgens vastgesteld dat uit de nieuw ingebrachte informatie niet blijkt dat de veiligheidssituatie in Irak, en in het bijzonder in Bagdad en Mosul, is verslechterd.’ De rechtbank constateert dat een dergelijke beoordeling van de ingebrachte documenten, waarbij kenbaar is gekeken naar en gereageerd op de landeninformatie en nieuwsartikelen die door eiser zijn overgelegd, in het bestreden besluit volledig ontbreekt. Er is slechts vermeld dat het beleid van Mali sinds eisers vorige asielaanvraag niet is gewijzigd en dat de door eiser ingebrachte stukken dit niet anders maken. Op de zitting is dit gebrek naar het oordeel van de rechtbank ook niet hersteld met de enkele stelling van de gemachtigde van de minister dat er contact is geweest met TOELT en dat de onrustige situatie in Mali van april 2026 inmiddels is hersteld.
Gelet op voorgaande is het beroep van eiser gegrond.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister een nieuw besluit moet nemen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.