RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.48624 (beroep) en NL26.48625 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq)
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
1. Eiser komt uit Syrië. Hij is daarvandaan gevlucht en heeft in Griekenland asiel gekregen. Na vijf à zeven maanden in Griekenland te hebben verbleven, is eiser naar Nederland gekomen. De omstandigheden in Griekenland zijn zo slecht, dat eiser daar niet wil blijven. Eiser heeft daarom asiel aangevraagd in Nederland.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Hoewel de omstandigheden in Griekenland voor mensen met een asielvergunning niet goed zijn, vindt verweerder dat eiser zichzelf kan redden in Griekenland.
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit van verweerder. Hij heeft hiervoor argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden.
De rechtbank heeft verweerders besluit getoetst op basis van de beroepsgronden. De rechtbank volgt verweerder en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en moet terugkeren naar Griekenland.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eiser niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat het niet veilig is in Syrië. Ook wil hij niet terug naar Syrië omdat hij dan in militaire dienst moet. Hoewel eiser al in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen, kan hij daar niet blijven. De omstandigheden in Griekenland voor statushouders zijn volgens eiser slecht en hij kan daar geen leven opbouwen.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft immers op 17 juli 2024 in Griekenland een verblijfsvergunning gekregen. Deze verblijfsvergunning is geldig tot 17 juli 2027. Volgens verweerder is eiser een volwassen en niet-kwetsbare man en kan hij zichzelf redden in Griekenland. Eiser heeft namelijk al in Griekenland gewerkt. Bovendien heeft hij zelfstandig een woonruimte kunnen regelen. Hij verbleef in een woning boven het restaurant waar hij werkte. Ook heeft hij geen medische belemmeringen.
Verweerder draagt eiser daarom op om terug te gaan naar Griekenland. Dit doet verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5. Eiser voert primair aan dat verweerders beleid, zoals neergelegd in informatiebericht (IB) 2026/1, geen stand kan houden. Voorheen stuurde verweerder Griekse statushouders in het algeheel niet terug naar Griekenland. Om welke reden verweerder zijn beleid heeft gewijzigd, is onduidelijk. Eiser beroept zich op het AIDA-rapport over Griekenland van 23 juli 2026 en op een recent rapport van Refugee Support Eagean (RSA), waaruit blijkt dat de situatie in Griekenland niet is gewijzigd. Eiser verwijst daarnaast naar de beantwoording van Kamervragen van 28 mei 2026, waaruit blijkt dat Nederland maar 48 opvangplekken heeft geïnitieerd in Griekenland. Dit is veel te weinig.
Subsidiair voert eiser aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zelfredzaam is. Eiser is immers kwetsbaar, want hij is analfabeet. Daarom is het voor hem moeilijk om zich een weg te banen in de Griekse bureaucratie.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard,
indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Deze bepaling wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het eerste lid van artikel 3.106a van het
Vb volgt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de beginselen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering zal worden behandeld.
Het uitgangspunt is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het
Handvest, het Vluchtelingenverdrag, en het EVRM (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
Voor Griekenland ligt dit anders. Uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli
2021 volgt dat de Griekse autoriteiten, ondersteund door verschillende ngo’s, weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Verweerder kan ten aanzien van Griekenland daarom niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom is de bewijslast omgedraaid en moet verweerder in zaken van Griekse statushouders aannemelijk maken dat een Griekse statushouder bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het
Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader
onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in
Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in
informatiebericht (IB) 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon
beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-
ontvankelijk kon worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Vw. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september
2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (het tweede
verslag) gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31
vervangen door IB 2025/20. Uit IB 2025/20 volgt dat verweerder een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan verklaren, als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig kan handhaven. Dit ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ is in IB 2025/20 echter niet kenbaar uitgewerkt.
Met het bestreden besluit heeft verweerder zijn beleid toegepast zoals neergelegd in IB 2026/1. Hierin staat het zelfredzaamheidscriterium. Volgens dit criterium is een vreemdeling zelfredzaam, als hij beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen, alleenstaande man is en niet kwetsbaar is. Wanneer een vreemdeling wordt aangemerkt als zelfredzaam, dan gaat verweerder ervan uit dat hij in Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. Verweerder kan de asielaanvraag dan niet-ontvankelijk verklaren. Niet-ontvankelijk verklaren is ook mogelijk wanneer de Griekse verblijfsvergunning verlopen is. Een verlopen verblijfsstatus kan immers verlengd worden. Dit kan de vreemdeling echter niet vanuit Nederland doen en de procedure voor verlening kan enige maanden duren. In deze gevallen is het temeer van belang om goed te onderbouwen dat de vreemdeling na vergunningverlening in Griekenland als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig zal kunnen handhaven. Bij de beoordeling van zelfredzaamheid moeten altijd de individuele omstandigheden betrokken worden. Pas wanneer de internationale bescherming expliciet is ingetrokken, heeft de vreemdeling geen verblijfsrecht meer in Griekenland.
Recent is een nieuw informatiebericht verschenen, namelijk IB 2026/31. Dit nieuwe informatiebericht bevat een uitbreiding van de criteria zoals benoemd in IB 2026/1, maar geen wijziging ten opzichte van het voorgaande zelfredzaamheidscriterium.
Zelfredzaamheid en risico op zeer verregaande materiële deprivatie
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van zelfredzame vreemdelingen mag verwachten dat zij teruggaan naar Griekenland en daar niet in een situatie terecht zullen komen van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verweerder heeft onder meer terecht verwezen naar het AIDA-rapport over Griekenland van september 2025 en het rapport van de UNHCR genaamd ‘Greece Protection Monitoring of Refugees- Key findings 2024’ en zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Griekenland voor statushouders sinds de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021 is verbeterd. Deze verbetering is onder meer gelegen in de aanzienlijk verkorte wachttijden voor het verlengen van de verblijfsvergunning, de stijging van het aantal daklozenopvangcentra in Athene, een programma voor huisvesting waar statushouders beroep op kunnen doen en een sterke toename van het aantal statushouders dat werk heeft gevonden. De rechtbank stelt vast dat er inmiddels een nieuw AIDA-rapport over Griekenland is verschenen: het AIDA-rapport van juli 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met zijn verweerschrift echter terecht op het standpunt gesteld dat dit AIDA-rapport geen ander beeld laat zien dat het AIDA-rapport van september 2025.
Wel overweegt de rechtbank dat uit het recent verschenen rapport van RSA blijkt dat er in Griekenland nog steeds problemen zijn voor statushouders, met name bij het effectueren van hun rechten op sociale zekerheid, gezondheidszorg en het verkrijgen van werk en huisvesting. Verweerder heeft dit ook niet betwist. In beroep heeft verweerder echter terecht gewezen op het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM niet ertoe verplicht dat lidstaten iedere vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorziet van een huis of financiële hulp om een bepaalde levensstandaard te behouden. Informele huisvesting en informeel werk is voldoende.
Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op twee uitspraken van het Duitse Verwaltungsgerichtshof van 6 augustus 2024, waarin is aangenomen dat voor mannelijke, erkende begunstigden die alleen naar Griekenland terugkeren en jong, gezond en in staat zijn om te werken, geen sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid omdat de arbeidsmarktsituatie in Griekenland aanzienlijk is verbeterd, de dakloosheid is teruggedrongen en spoedeisende zorg in de publieke gezondheidszorg is gegarandeerd. Dit oordeel is bevestigd in de uitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van 23 oktober 2025, waarin het onwaarschijnlijk is geacht dat alleenstaande niet kwetsbare mannen niet in staat zijn onderdak te vinden en eerst inkomen te verkrijgen uit de informele arbeidssector. Ook de Belgische rechter heeft meerdere keren bevestigd dat ten aanzien van zelfredzame Griekse statushouders met een geldige ADET mag worden uitgegaan dat zij niet in een situatie van vergaande materiele deprivatie terecht zullen komen bij terugkeer naar Griekenland. De rechtbank leidt hieruit af dat ook rechters in andere Europese landen van een vergelijkbaar zelfredzaamheidscriterium uitgaan.
Verder heeft verweerder in dit kader kunnen verwijzen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 22 mei 2026. In deze uitspraak heeft zittingsplaats Rotterdam verweerders motivering voor het zelfredzaamheidscriterium uiteengezet. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft vervolgens geoordeeld dat het zelfredzaamheidscriterium, zoals neergelegd in IB 2026/1, stand kan houden. De Afdeling heeft de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam bevestigd.
Eisers individuele omstandigheden
8. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de maatstaf is of iemand in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. Het gaat daarbij om het kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften: wonen, eten, zich wassen. Dat de situatie in Nederland voor eiser gunstiger is dan in Griekenland is dus niet bepalend.
9. De rechtbank oordeelt dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser als zelfredzaam kan worden beschouwd. Bij terugkeer naar Griekenland zal eiser dus niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Op 1 juli 2024 heeft eiser om asiel gevraagd in Griekenland. Op 17 juli 2024 heeft eiser een asielvergunning gekregen. Deze vergunning is geldig tot 16 juli 2027. Eiser heeft verklaard dat hij drie tot vier maanden in Rhodos heeft verbleven en twee tot drie maanden in Athene, alwaar hij ook heeft gewerkt. Hij werkte als oproepkracht in een restaurant. Hij werkte vier à vijf uur per dag en verdiende € 800,- per maand. Met dit geld heeft eiser in zijn levensonderhoud kunnen voorzien en kunnen sparen voor een vlucht naar Nederland. Hoewel eiser tijdens het nader gehoor eerst heeft verklaard dat hij buiten sliep in Griekenland, heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat eiser ook heeft verklaard dat hij altijd onderdak had, namelijk boven het restaurant of - als hij niet bij het restaurant werkte - bij een vriend. Voor de kamer boven het restaurant moest eiser € 15,- per dag betalen. Hij sliep daar met één andere man. Daarbij heeft eiser verklaard dat je hard kan werken in Griekenland. Hij voorziet geen problemen om werk te vinden. Bovendien heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat zijn gezondheid perfect is.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank eiser niet kwetsbaar. Het feit dat eiser analfabeet is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat eiser in Griekenland de asielprocedure heeft doorlopen en zelfstandig een woning en werk heeft kunnen regelen. Ook heeft eiser een vluchtelingenpaspoort kunnen regelen om te reizen naar Nederland.
10. De beroepsgrond slaagt niet. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van het beleid van verweerder zoals verwoord in IB 2026/1, bestaat er geen aanleiding om in te gaan op de interne notities die aan het IB ten grondslag liggen. Hetzelfde geldt voor het IB 2026/31. Hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
11. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.