RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55929
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 september 2026 om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en om eiser op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) over te dragen aan Duitsland (het bestreden besluit).
De rechtbank doet het beroep vereenvoudigd af op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Een mondelinge behandeling van het beroep is daarom achterwege gebleven. Het onderzoek in de zaak is gesloten op 2 oktober 2026.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft op 8 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend. Omdat uit eisers registratie in Eurodac volgt dat hij eerder in Duitsland om asiel heeft gevraagd is op 1 september 2026 aan de Duitse autoriteiten een kennisgeving van terugname gestuurd. Duitsland heeft deze kennisgeving bevestigd. Hierna heeft verweerder het bestreden besluit bekend gemaakt.
2. Eiser betwist niet dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Hij heeft niettemin bezwaar tegen overdracht aan Duitsland. Daartoe voert hij aan dat zijn eerdere asielverzoek in Duitsland niet adequaat is behandeld. Hij is in Duitsland bedreigd waardoor hij zijn asielgronden niet volledig naar voren kunnen brengen. Hij heeft vervolgens geen (gefinancierde) rechtsbijstand gekregen. Na zijn overdracht zal zijn asielverzoek in Duitsland worden aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag, in welk geval hij daar geen recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eiser stelt verder dat in Duitsland geen eisen worden gesteld aan het niveau van tolken en dat asielzoekers er te kort tijd krijgen om beroep in te stellen.
3. Met wat eiser aldus heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Duitsland een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. In het geval van Duitsland wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond hiervan wordt aangenomen dat verzoeken om internationale bescherming in Duitsland worden beoordeeld met inachtneming van de Unierechtelijke verplichtingen en ook dat de Duitse autoriteiten bereid zijn bescherming te bieden tegen eventuele problemen met derden in Duitsland. Uit de door eiser genoemde AIDA-rapporten over Duitsland kan niet worden afgeleid dat Duitsland hierin structureel tekort schiet en dat als gevolg daarvan bij overdracht aan die lidstaat een schending van artikel 4 van het Handvest dreigt. Bovendien, voor zover eiser meent dat Duitsland jegens hem tekortschiet in het naleven van zijn verplichtingen wordt eveneens op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aangenomen dat dat eiser hierover in Duitsland kan klagen. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Specifiek voor wat betreft de asielprocedure in Duitsland is hierbij nog van belang dat het bieden van kosteloze rechtsbijstand in de beroepsfase op grond van artikel 17 van de Asielprocedureverordening niet verplicht is als een beroep wordt geacht geen reële kans van slagen te hebben of wanneer het een opvolgende aanvraag betreft.
4. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat ten onrechte van een persoonlijk onderhoud is afgezien. Ook vindt eiser dat verweerder in zijn geval gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid in artikel 35 van de Ambv om de asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen.
5. Op grond van artikel 43 van de Ambv kan in een beroep tegen het overdrachtsbesluit alleen worden geoordeeld over de in lid 1 onder a tot en met c van dat artikel genoemde aspecten. De vragen of van een persoonlijk onderhoud kon worden afgezien en of verweerder toepassing had moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 35 van de Ambv kunnen dan ook niet zelfstandig aan de rechter worden voorgelegd, maar kunnen alleen aan de orde komen binnen de draagwijdte van het beroep, waaronder de vraag naar het risico op een schending van artikel 4 van het Handvest. Met de niet-toegelichte opmerking dat in zijn geval gronden ontbreken om van een persoonlijk onderhoud af te zien heeft eiser dit risico niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser hierbij heeft gesteld dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland te bespreken, stelt de rechtbank vast dat verweerder eiser op 11 augustus 2026 schriftelijk heeft uitgenodigd om eventuele bezwaren tegen overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Uit het dossier blijkt verder dat de Raad voor de Rechtsbijstand aan eiser op 18 augustus 2026 de naam en contactgegevens van zijn toegevoegde advocaat/gemachtigde bekend heeft gemaakt. Hierna heeft eiser in de besluitvormingsfase én in beroep voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren tegen overdracht kenbaar te maken. Het enkele gegeven dat eiser stelt dat hij eerst op 11 september 2026 gelegenheid heeft gezien om met zijn gemachtigde te spreken is geen reden om daar anders over te denken. Eiser heeft niet geconcretiseerd hoe dat gegeven hem feitelijk heeft belemmerd om op te komen tegen het overdrachtsbesluit.
6. Het beroep zal kennelijk ongegrond worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.