Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/196460-25, 09/007883-26 (ttz. gev) en 96/085172-22 (tul)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres 1],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 2 oktober 2025, 4 december 2025, 18 februari 2026, 6 mei 2026 en 29 juli 2026 (alle pro forma) en 24 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Raterman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Heemskerk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
09/196460-25 (hierna: zaak I):
hij op of omstreeks 12 september 2024 te ’s-Gravenhage met een persoon, te weten [aangeefster 1] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal, op onverhoedse wijze één of meer van zijn vingers in de vagina van die [aangeefster 1] gebracht en haar vagina betast, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
- bij die [aangeefster 1] aan te bellen en zich valselijk voor te doen als politieagent en/of
- zich onder valse voorwendselen, te weten een drugscontrole, de toegang tot de woning van die [aangeefster 1] te verschaffen en/of
- tegen die [aangeefster 1] te zeggen dat zij zich moest uitkleden en/of
- tegen die [aangeefster 1] te zeggen dat zij zich (met haar gezicht) naar een muur moest
omdraaien, tegen een muur moest staan met haar handen op de muur en (meermalen) een squat-houding moest doen;
09/007883-26 (hierna: zaak II):
1
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk op een openbare plaats of niet openbare plaats, te weten in de lift van een studentenwooncomplex op/aan [adres 2], terwijl een persoon, te weten [aangeefster 2], daarbij haars ondanks tegenwoordig was, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het vastpakken van zijn geslachtdeel en/of het tonen van zijn geslachtsdeel (ten overstaan van die [aangeefster 2]);
2
hij op of omstreeks 18 juni 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk op een openbare plaats of op een niet openbare plaats, te weten in de hal van een studentenwooncomplex op/aan [adres 3], terwijl meerdere personen, te weten [aangeefster 3] en/of [aangeefster 4], daarbij haars/hen ondanks tegenwoordig was, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het vastpakken van zijn geslachtdeel en/of het tonen van zijn geslachtsdeel en/of het op en neer bewegen van zijn geslachtsdeel (ten overstaan van die [aangeefster 3] en/of [aangeefster 4]).
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaken I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het in zaak I met parketnummer 09/196460-25 ten laste gelegde en heeft zich met betrekking tot het in zaak II met parketnummer 09/007883-26 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten wordt waar nodig hierna nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De verdachte wordt in zaak I gekwalificeerde opzetverkrachting van een buitenlandse student, afkomstig uit [land], verweten. Dit zou op of omstreeks 12 september 2024 hebben plaatsgevonden in de woning van de student in een studentencomplex in Den Haag. De verdachte zou zich hebben voorgedaan als politieagent die een drugscontrole kwam doen. In zaak II wordt hem aanstootgevend gedrag verweten, op of omstreeks 3 juli 2024 en 18 juni 2025, in twee studentencomplexen in Den Haag, waarbij de verdachte ten overstaan van een vrouw in de lift, respectievelijk twee studenten in de hal van het complex zijn penis (geslachtsdeel) zou hebben getoond en vastgepakt en in het laatste geval ook op en neer zou hebben bewogen.
In zaak I staat vast dat de verdachte in de woning van de student is geweest en dat hij met zijn vingers in haar vagina is geweest. De verdachte verklaart dit zelf. In de vagina van de student is ook DNA afkomstig van de verdachte aangetroffen. In zaak II zijn er camerabeelden van de incidenten. De verdachte herkent zichzelf op de beelden van het incident in juni 2025.
Hierna wordt alleen ingegaan op zaak I, nu in die zaak vrijspraak is bepleit. Voor zaak II verwijst de rechtbank gelet op de referte van de verdediging naar de bewijsmiddelen en de daarin opgenomen redengevende feiten en omstandigheden.
Juridisch kader bewijs in zedenzaken
Kenmerkend voor zedenzaken is dat de verklaring van een betrokkene, die verklaart dat een verdachte het ten laste gelegde zedenfeit heeft begaan, vaak tegenover die van een verdachte staat, die dit ontkent. Getuigen van de beweerde gebeurtenissen zijn er over het algemeen niet. Ook in deze zaak is dat het geval.
De verklaringen van de student (hierna: de aangeefster) en de verdachte over het gebeurde staan lijnrecht tegenover elkaar, behalve over het feit dat de verdachte in de woning en in de vagina van de student is geweest. Zij verschillen wat betreft de aanleiding voor de binnenkomst van de verdachte, wat er verder plaats heeft gevonden in de woning en ook of de aangeefster toestemming heeft gegeven voor het handelen van de verdachte en of sprake is geweest van dwang. De verdachte ontkent alles wat de aangeefster hierover heeft verklaard.
Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, is vaak de verklaring van de aangeefster het enige bewijsmiddel. In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de strafrechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige (of in dit geval: aangeefster). Deze bepaling ziet op de tenlastelegging in haar geheel en niet op slechts een onderdeel daarvan. Zij strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de strafrechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige over de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan dit wettelijk bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Wel is vereist dat de verklaringen van, in dit geval, de aangeefster op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaringen van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal mag bovendien niet een te ver verwijderd verband bestaan. Dit betekent dat in een zedenzaak een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van de aangeefster, voldoende wettig bewijs kan opleveren.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en vervolgens of deze voldoende steun vinden in een ander bewijsmiddel, zodat aan het genoemde wettelijk bewijsminimum is voldaan.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
Anders dan de verdediging naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en overweegt daartoe als volgt.
De aangeefster heeft drie verklaringen afgelegd, twee verklaringen bij de politie op 12 september 2024 en één verklaring bij de rechter-commissaris op 20 juli 2026. Er is ook een 112-melding. De aangeefster heeft telkens bij de politie concreet en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen van de verdachte, de aanleiding daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Die verklaringen zijn op zichzelf beschouwd en in onderlinge samenhang bezien consistent en authentiek. Ook de 112-melding stemt overeen met die verklaringen. Zo heeft de aangeefster steeds verklaard dat de verdachte aanbelde, zich voordeed als een politieagent en een drugscontrole moest uitvoeren. De verdachte moest haar lichaam controleren op drugs en daarvoor moest zij een squat-houding aannemen en beide handen tegen de muur plaatsen. Vervolgens heeft de verdachte zijn vingers in haar vagina gebracht. Ze moest haar hand geven, ze heeft haar linkerhand naar achteren gedaan, ze voelde iets zachts en heeft zich omgedraaid, waarna zij zijn geslachtsdeel zag. Ze heeft haar telefoon van tafel gepakt, is de badkamer ingegaan en heeft de deur dichtgedaan, op slot. Toen heeft zij in de badkamer de politie gebeld. Ook bij de rechter-commissaris heeft de aangeefster concreet en gedetailleerd verklaard over het gebeurde. Weliswaar zijn er op onderdelen verschillen in die verklaringen, waarop de verdediging wijst, die verschillen zijn minimaal, mede in het licht van de details waarover de aangeefster verklaart; in de kern verklaart de aangeefster steeds hetzelfde. Het is ook logisch dat verklaringen op punten van elkaar verschillen als deze op verschillende momenten in de tijd worden afgelegd. De verschillen die er zijn, leiden de rechtbank dan ook niet tot de conclusie dat haar verklaringen daardoor als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.
De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn nu de aangeefster direct na het incident 112 heeft gebeld en ook in dat gesprek heeft verklaard dat de verdachte zich voordeed als een politieagent en haar heeft verkracht.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verklaringen dan ook in hun geheel voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Het steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in een ander zelfstandig bewijsmiddel. De rechtbank beantwoordt deze vraag, in tegenstelling tot de verdediging, bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De verklaringen van de aangeefster vinden steun in de waarnemingen van verbalisanten. Direct na het incident heeft de aangeefster 112 gebeld. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin vermeldt de centralist dat haar stem trillerig en hoog was. De verbalisanten die ter plaatse kwamen troffen de aangeefster volledig ontkleed aan. Toen een verbalisant aan haar vroeg wat er was gebeurd, zag de verbalisant dat de aangeefster hard begon te huilen. Deze waarnemingen zijn dus gedaan kort na de gedragingen die aan de verdachte in deze zaak ten laste zijn gelegd. De waarnemingen over de emotionele toestand van de aangeefster van zowel de centralist als de politieagenten ter plaatse dragen dan ook bij aan het steunbewijs.
Steun bewijs in de vorm van schakelbewijs
Enkele maanden na het incident van 12 september 2024 hebben andere incidenten plaatsgevonden, waarbij gemeld werd dat er is aangebeld bij hetzelfde studentencomplex aan [straatnaam] door iemand die vertelde dat hij van de politie was.
In de rechtspraak is uiteengezet dat het gebruik van zogenoemd schakelbewijs, waarbij bewijs van andere feiten als steunbewijs kan dienen in het te behandelen feit, toegestaan is. Daarbij is volgens de Hoge Raad ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Voor het gebruik van schakelbewijs dient de feitelijke gang van zaken (de modus operandi) ten aanzien van het betreffende feit op essentiële punten belangrijke overeenkomsten te vertonen met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van feiten waarbij tot een bewezenverklaring is gekomen. Terughoudendheid met het gebruikmaken van schakelbewijsconstructies is op zijn plaats, gelet op één van de kernbeginselen van het strafproces, te weten dat een bewezenverklaring niet op één bewijsmiddel kan steunen.
Uit het dossier blijkt dat de politie op 16 en 19 december 2024 meldingen heeft ontvangen dat er ’s nachts bij het complex aan [straatnaam] is aangebeld door een man die aangaf van de politie te zijn en naar binnen wilde. Deze persoon is op 19 december 2024 naar een treinstation gelopen waar hij een kaartje heeft gekocht. Aan de hand van de gebruikte bankgegevens is de verdachte geïdentificeerd.
Deze specifieke handelswijze van deze incidenten komt op essentiële punten overeen met de verklaring van de aangeefster ten aanzien van de ‘modus operandi’ in haar geval. Zowel de aangeefster als de melders van deze incidenten zijn internationale studenten. Het gaat daarmee om jongvolwassen kwetsbare vrouwen, omdat ze niet of niet goed de regels en procedures van het land kennen en/of de Nederlandse taal niet spreken. Elke keer is in de nacht bij hetzelfde studentencomplex aangebeld en heeft de verdachte zich voorgedaan als politie om het gebouw binnen te komen Er is dan ook sprake van een herkenbaar en gelijksoortig patroon – een kenmerkende modus operandi – te herkennen in de aan de verdachte verweten feiten. De processen-verbaal van de incidenten van 16 en 19 december 2024 zal de rechtbank dan ook gebruiken als schakelbewijs voor de ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting van 12 september 2024.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij buiten bij het raam van de kamer van de aangeefster in gesprek met haar raakte, dat zij hem binnen uitnodigde, dat zij gezoend hebben en dat zij dat ook wilde en dat hij aan haar vagina heeft gezeten. Plotseling verstijfde ze en wilde ze het niet meer, terwijl ze iets over een vriendje zei. De verdachte is meteen gestopt en weggegaan.
Gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen en het gegeven dat de rechtbank de verklaring van aangeefster als uitgangspunt neemt, schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte terzijde. Dat de aangeefster eerst wel zou hebben ingestemd met zoenen en het aanraken van de vagina, maar dat zij plotseling niet meer wilde, verhoudt zich niet tot de directe melding van de aangeefster toen zij 112 belde dat ze verkracht was, de omstandigheden waarin zij direct na het incident is aangetroffen (te weten naakt en overstuur) en haar verklaringen tegenover de politie die direct ter plaatse kwamen. De verklaring van de verdachte dat de waargenomen emoties van de aangeefster ‘een andere reden’ zouden hebben gehad, acht de rechtbank gelet hierop dan ook ongeloofwaardig. De verklaring van de neef van de verdachte leidt niet tot een andere conclusie; dit is in essentie niet meer dan een bevestiging achteraf van de verklaring van de verdachte op onderdelen, terwijl het appcontact tussen de verdachte en zijn neef de verklaringen van de aangeefster niet ontkrachten.
De verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij vindt dat de politie onvoldoende onderzoek heeft gedaan of het die nacht is gegaan zoals hij heeft verklaard. De politie had daartoe DNA-onderzoek moeten uitvoeren, onder meer naar sporen op het raam, het bed en het t-shirt. De verdachte miskent hiermee dat eventuele sporen op die voorwerpen geen uitsluitsel bieden over de vraag of de seksuele handelingen al dan niet met instemming hebben plaatsgevonden. Het ontbreken van DNA-sporen op de plaatsen waarvan de aangeefster heeft gezegd dat de verdachte die heeft aangeraakt, zoals het paspoort, de handgreep van de koelkast en de kleding van het slachtoffer leidt – gelet op de overige bevindingen van het dossier – niet tot de conclusie dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zouden zijn. Eventuele uitkomsten van een dergelijk sporenonderzoek zijn dan ook niet relevant voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan de strafzaak wordt beoordeeld.
Gekwalificeerde opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van een bijkomende strafverzwarende omstandigheid is sprake, zoals ten laste gelegd, in het geval deze verkrachting wordt voorafgegaan door, vergezeld gaat van of gevolgd wordt door dwang, geweld, of bedreiging.
Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat zij in de veronderstelling was dat de verdachte een politieagent was, die gerechtigd was om haar aan te raken onder het mom van een fouillering tijdens een drugscontrole. De hoedanigheid van overheidsautoriteit die de verdachte aannam, maakte dat de aangeefster haar liet betasten, dat ze zich uitkleedde, haar handen tegen de muur plaatste, een squathouding aannam en dat ze toestond dat hij met zijn vingers in haar vagina naar binnen is gedrongen. Zonder deze valse voorwendselen had de aangeefster hier niet mee ingestemd, blijkt uit haar verklaring. De aangeefster heeft niet alleen toen de verdachte voor haar deur stond gevraagd naar zijn identiteit, maar heeft ook ten tijde van het incident doorgevraagd of de gebeurtenissen gebruikelijk waren in Nederland. Het had de verdachte dan ook kenbaar moeten zijn dat de aangeefster zich door die voorwendselen heeft laten misleiden, omdat hij haar door die omstandigheden heeft gedwongen. Gelet hierop acht de rechtbank bewezenverklaard dat de verdachte, in ieder geval in voorwaardelijke zin, wist dat bij de aangeefster de wil tot die seksuele handelingen ontbrak en dat die verkrachting is voorafgegaan door en vergezeld van dwang. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van gekwalificeerde opzetverkrachting.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van hetgeen in zaak I is ten laste gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Zaak I:
hij op 12 september 2024 te ’s-Gravenhage met [aangeefster 1] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte op onverhoedse wijze één of meer van zijn vingers in de vagina van die [aangeefster 1] gebracht en haar vagina betast, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van dwang, door:
- bij die [aangeefster 1] aan te bellen en zich valselijk voor te doen als politieagent en
- zich onder valse voorwendselen, te weten een drugscontrole, de toegang tot de woning van die [aangeefster 1] te verschaffen en
- tegen die [aangeefster 1] te zeggen dat zij zich moest uitkleden en
- tegen die [aangeefster 1] te zeggen dat zij zich met haar gezicht naar een muur moest
omdraaien, tegen een muur moest staan met haar handen op de muur en meermalen een squat-houding moest doen;
Zaak II:
1
hij op 3 juli 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten in de lift van een studentenwooncomplex aan [adres 2], terwijl [aangeefster 2], daarbij haars ondanks tegenwoordig was, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het vastpakken van zijn geslachtsdeel en het tonen van zijn geslachtsdeel ten overstaan van die [aangeefster 2];
2
hij op 18 juni 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten in de hal van een studentenwooncomplex aan [adres 3], terwijl meerdere personen, te weten [aangeefster 3] en [aangeefster 4], daarbij hen ondanks tegenwoordig waren, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het vastpakken van zijn geslachtsdeel en het tonen van zijn geslachtsdeel en het op en neer bewegen van zijn geslachtsdeel ten overstaan van die [aangeefster 3] en [aangeefster 4].
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs of tbs-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) ongemaximeerd wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bepleit dat het opleggen van een tbs-maatregel niet mogelijk is, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte leed aan een stoornis. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking niet moet worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en heeft daarmee de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer vergaand geschonden. De verdachte heeft midden in de nacht bij de aangeefster aangebeld en zich kenbaar gemaakt als politie. De aangeefster was een internationale student die de regels en procedures van het land niet kent en de Nederlandse taal niet sprak. Zij was net een maand in Nederland. Dit maakt haar een kwetsbaar slachtoffer. De verdachte is geraffineerd en op berekende wijze te werk gegaan en liet het slachtoffer, voordat zij door hem met zijn vinger werd gepenetreerd, verschillende handelingen uitvoeren, zoals dat zij volledig naakt met haar handen tegen de muur moest gaan staan en een paar keer moest squatten. Deze situatie moet zonder meer vernederend voor het slachtoffer zijn geweest. Dit alles is gebeurd in het midden van de nacht in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke en psychische gevolgen heeft voor het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij totaal niet stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Dat de verkrachting in onderhavige zaak veel impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt onder meer uit haar aangifte en haar verklaring bij de rechter-commissaris. Ze heeft verklaard dat ze na het incident haar woning niet meer durfde binnen te gaan. Ze had haar hele leven ervan gedroomd om in Europa te studeren. Nu dit haar is overkomen, heeft ze zo’n hekel aan Nederland gekregen dat ze direct is teruggekeerd naar haar land van herkomst. Ze heeft verder niet deelgenomen aan het strafproces.
Ten tweede heeft de verdachte zich meermaals schuldig gemaakt aan schennispleging door zijn geslachtsdeel in het openbaar te tonen en zichtbaar voor anderen te masturberen. Dit heeft ook plaatsgevonden in studentencomplexen. Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt dat zij zich hierdoor erg angstig en onveilig hebben gevoeld. De verdachte heeft zich hinderlijk aanstootgevend gedragen en geen rekening gehouden met de gevoelens van anderen.
Hieraan kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 september 2026, waaruit blijkt dat hij op 4 december 2025 veroordeeld is voor het rijden onder invloed. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing. De verdachte is in 2007 eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van 28 juli 2026 van de reclassering. Daaruit volgt – kort gezegd – dat de reclassering zich onthoudt van advisering inzake de (on)mogelijkheden van interveniëren binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Doordat de verdachte niet heeft willen meewerken aan gedragsdeskundig onderzoek ontbreekt het de reclassering aan essentiële informatie. Het is voor de reclassering niet mogelijk om het risico op (gewelds)recidive adequaat in te schatten. De reclassering ziet wel een opeenstapeling van problemen en een gebrek aan beschermende factoren. Bij een bewezenverklaring is het evident dat er bij de verdachte sprake is van dermate afwijkend, grensoverschrijdend en zorgelijk (seksueel)gedrag en kan er worden geconcludeerd dat eerder strafrechtelijk ingrijpen betrokkene er niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De mogelijke samenhang tussen de problematiek van de verdachte en zijn delinquente gedrag - mits bewezen - maakt dat het risico op (gewelds)recidive niet kan worden uitgesloten. Bij een bewezenverklaring kan worden gesproken van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. De reclassering kan op basis van haar bevindingen wel een aanbeveling doen. De reclassering stelt voorop dat de bescherming van de maatschappij centraal staat en gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering beveelt bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. De reclassering acht de kans dat het risico op (gewelds)recidive na afloop van de detentieperiode nog niet tot een aanvaardbaar laag niveau is teruggedrongen aanwezig.
Voorafgaand aan het reclasseringsrapport is een Pro Justitia rapportage uitgebracht, gedateerd 14 april 2026, opgesteld in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) door een psychiater en een klinisch psycholoog. Hiervan heeft de rechtbank ook kennisgenomen.
De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Hij is in staat geweest om zes weken lang op een standvastige en consequente wijze zijn weigering vorm te geven, zonder zich terug te trekken in zijn cel. Hierdoor hebben de groepsleiding en de individuele deskundigen nauwelijks zicht gekregen op de innerlijke belevingswereld van de verdachte. Ook het milieuonderzoek is beperkt gebleven. Uit het rapport volgt dat op basis van de observaties van groepsleiding en deskundigen tijdens de (beperkte) contacten, er geen aanwijzingen zijn voor een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld zoals een (actuele) stemmingsstoornis, psychotische stoornis of een ontwikkelingsstoornis zoals ADHD of een autismespectrumstoornis. Voor laatstgenoemde werden vanuit een diagnostisch onderzoek in 2007 (aan de hand van onder andere diverse aanrandingen) wel aanwijzingen gezien in de vorm van sociale deficiënties. Heden zien de deskundigen echter geen enkele aanleiding om (nog) problematiek in die richting te vermoeden. Op grond van de beschikbare informatie zijn wel hypothesen te formuleren over mogelijke persoonlijkheidsproblemen. Of daar sprake van is en of die het niveau van een stoornis halen was voor de deskundigen niet nader te onderzoeken gelet op de beperkte informatie en medewerking van de verdachte, in combinatie met het goeddeels ontbreken van collaterale informatie. Dit geldt eveneens voor de psychoseksuele ontwikkeling van de verdachte.
Het valt de deskundigen op dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk gedrag heeft vertoond wat blijk geeft van roekeloosheid, prikkelbaarheid, zonder daarbij verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag, met impulsiviteit en krenkbaarheid. Dit zijn aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. Indien de tenlasteleggingen worden bewezen, kan er gesproken worden van een vroeg patroon van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag. Op de afdeling worden voor dergelijk gedrag geen aanwijzingen gezien. Daarbij merken zij op dat betrokkene geen merkbaar onderscheid maakt in zijn contact tussen mannen en vrouwen, dat hij bijvoorbeeld niet masturberend wordt aangetroffen of blijk geeft van enige preoccupatie.
Nu de deskundigen onvoldoende zicht hebben gekregen op het eventueel bestaan van een psychische stoornis, waarmee ook de eventueel stoornis specifieke doorwerking op het ten laste gelegde niet nader kan worden onderbouwd (noch uitgesloten), en er bovendien geen stoornis specifieke uitspraken zijn te doen ten aanzien van het recidiverisico, is het niet mogelijk voor de deskundigen om tot een onderbouwde aanbeveling te komen voor gedragskundige interventies ter eventuele reductie van dat recidiverisico. De deskundigen onthouden zich derhalve van een advies omtrent het opleggen van een eventueel juridisch kader waarin nadere interventies zouden kunnen worden geboden.
Last tot tbs van de verdachte?
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de noodzaak bestaat tot het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals gevorderd door de officier van justitie. Indien bij een verdachte ten tijde van het plegen van een strafbaar feit sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van artikel 37a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, kan ter zake van bepaalde feiten tbs worden opgelegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel eist. Bij de vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens slaat de rechter acht op de over de verdachte opgemaakte multidisciplinaire rapportage. Hij is hieraan niet gebonden, de rechter heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de vaststelling of sprake van een stoornis in de zin van de wet. De wetgever heeft het begrip ‘stoornis’ zo ruim mogelijk willen formuleren en wet noch jurisprudentie eist dat er sprake is van een geclassificeerde stoornis volgens het handboek DSM4 of 5, om te kunnen spreken van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ook indien de verdachte weigert om mee te werken aan het opstellen van een dergelijke rapportage, waardoor de deskundigen geen advies hebben kunnen geven, kan de rechter overgaan tot het opleggen van tbs. De rechtbank stelt voorop dat de rechter in het uiterste geval, slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een stoornis kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen. De vaststelling van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan dan geschieden op basis van oudere rapportages, aanwijzingen uit het strafdossier of verdere informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte. Als er geen behandeling voltooid is, gaan eerder geconstateerde stoornissen namelijk doorgaans niet zo maar over. Vaak is er sprake van een lifetime diagnose. Ook persoonlijkheidsstoornissen verdwijnen niet vanzelf.
Conclusie van de rechtbank
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis. De rechtbank is ook van oordeel dat er onvoldoende feitelijke aanknopingspunten zijn voor de vaststelling dat bij hem sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Uit de Pro Justitia rapportage volgt dat uit het diagnostisch onderzoek in 2007 blijkt dat er duidelijke aanwijzingen werden gevonden voor een ontwikkelingsstoornis. De huidige deskundigen hebben dit ontkracht nu zij geen enkele aanleiding zien om (nog) problematiek in die richting te vermoeden. Deze oudere rapportages bieden derhalve geen steun voor de vaststelling van het bestaan van een stoornis bij de verdachte. Uit de Pro Justitia rapportage blijkt voorts dat de deskundigen niet verder komen dan slechts hypothesen. Het gegeven dat het een feit van algemene bekendheid is dat het bij een stoornis vaak gaat om een levenslange diagnose, acht de rechtbank, mede in aanmerking genomen de grondigheid van de Pro Justitia rapportage, onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank beschikt verder niet over andere (oudere) rapportages, aanwijzingen uit het strafdossier of verdere informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte die voldoende concrete informatie bieden om te komen tot de vaststelling dat sprake is van een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens psychische stoornis. De wijze waarop de delicten door de verdachte zijn gepleegd, en de recidive die de verdachte op dit gebied heeft, is daarvoor onvoldoende. Het is zeer zorgelijk dat door de bewezen verklaarde feiten sprake is van een patroon van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de verdachte. Ook het alcoholgebruik van de verdachte is, zoals de deskundigen ook opmerken, zonder meer problematisch en zorgelijk te noemen, evenals zijn instabiliteit en disfunctioneren op verschillende leefgebieden. De ‘modus operandi’ van de verdachte bij het plegen van de feiten is geraffineerd, zogezegd doortrapt. De relatie met de eerder in 2007 gepleegde zedendelicten is gemakkelijk gelegd, maar biedt, gelet op het tijdsverloop en de constateringen van de deskundigen over de verdachte op dit moment, onvoldoende feitelijke basis voor de conclusie dat sprake is van een stoornis. Ten slotte is er nog de vergaande vorm van belaging/stalking van zijn voormalig partner in 2022, waarvoor de verdachte is veroordeeld en waarover de deskundigen rapporteren. Hier gaat het om een korter geleden gepleegd feit en er was sprake van een vrouwelijk slachtoffer, zoals ook nu het geval is. De andersoortige aard van dit delict en de omstandigheden waaronder dit delict is gepleegd, verschillen naar het oordeel van de rechtbank echter te veel van het onderhavige geval om te dienen ter vaststelling van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis in de geestvermogens in de zin van de wet. Al met al is daarom de conclusie van de rechtbank dat zij onvoldoende aanknopingspunten ziet voor de feitelijke vaststelling dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Nu de rechtbank geen gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in de geestesvermogens van de verdachte heeft kunnen vaststellen, behoort het opleggen van een tbs-maatregel niet tot de mogelijkheden. De rechtbank zal deze dan ook niet opleggen en in zoverre bij de straftoemeting afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
De op te leggen straf
Alles afwegende komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor opzetverkrachting in het geval van een zogenoemde first offender een gevangenisstraf van twee tot drie jaar geformuleerd. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen. Voor schennispleging zijn er geen oriëntatiepunten, dus hiervoor is eveneens vergelijkbare rechtspraak in aanmerking genomen. Het zwaartepunt voor de strafoplegging ligt in deze zaak op de gekwalificeerde opzetverkrachting.
In lijn met deze oriëntatiepunten en rechtspraak rechtvaardigen de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding een deel van deze straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. In dit geval is sprake van een gekwalificeerde vorm van opzetverkrachting. Dit weegt de rechtbank strafverzwarend mee. Als strafverzwarend neemt de rechtbank ook mee dat de verdachte blijft doorgaan met het plegen van zedenfeiten. Na de schennispleging en gekwalificeerde opzetverkrachting in 2024 (zaak II, feit 1 en zaak I) heeft hij zich in 2025 (zaak II, feit 2) opnieuw schuldig gemaakt aan een zedendelict, namelijk schennispleging. Daarnaast neemt de rechtbank strafverzwarend mee dat de verdachte berekenend te werk is gegaan en het ambtelijk gezag heeft misbruikt door zich voor te doen als politieagent ten opzichte van kwetsbare slachtoffers.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorarrest is doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna ook: gvm) op grond van artikel 38z Sr
De reclassering heeft aanbevolen om een gvm op te leggen. Het aanvullende kader van gvm biedt een forensisch vangnet in het kader van de resocialisatie. Dit betekent dat begeleiding en behandeling, indien deze ook na een executie van de gevangenisstraf in het kader van de VI nodig blijkt, gewaarborgd kunnen worden. De maatregel wordt door de reclassering geadviseerd omdat de onduidelijkheden over een eventuele stoornis, risico’s met zich brengen die naar verwachting na ommekomst van de gevangenisstraf (wellicht) nog steeds aanwezig zijn.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een gvm is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aan de verdachte wordt voor onder meer dit strafbare feit bovendien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Gelet op de overwegingen van de rechtbank over de (on)mogelijkheden van het opleggen van een tbs-maatregel, ziet de rechtbank aanleiding om een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Vanwege de zorgen die er zijn over de persoonlijkheid van verdachte, is het noodzakelijk dat er, na afloop van de (langdurige) detentie, zicht komt op zijn (persoonlijkheids)problematiek en dat die, waar nodig, behandeld wordt. Op die manier wordt het eventuele risico op recidive zoveel mogelijk ingeperkt. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom de maatregel opleggen.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 3 september 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 96/085172-22 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 27 november 2023 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van acht weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd deze vordering af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, is in beginsel essentieel dat aan overtreding van deze voorwaarden consequenties worden verbonden. Redenen die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, zijn de rechtbank niet gebleken.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38z, 57, 63, 243, 254b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de in de zaken I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van zaak I:
gekwalificeerde opzetverkrachting;
ten aanzien van zaak II, feiten 1 en 2 telkens:
opzettelijk, terwijl een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, op een niet openbare plaats handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 27 november 2023, gewezen onder parketnummer 96/085172-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, voorzitter,
mr. R. Wieringa, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2026.