RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55635
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de kennisgeving van verweerder van 10 augustus 2026 (verder te noemen: het bestreden besluit) dat de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland onder de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) is verlengd tot maximaal 3 jaar.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Dat houdt in dat een mondelinge behandeling achterwege
blijft. Het onderzoek in de zaak is gesloten op 2 oktober 2026.
Overwegingen
1. Eisers asielaanvraag van 5 december 2025 is op 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Eisers beroep hiertegen is ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Eiser heeft op 10 juni 2026 opnieuw asiel gevraagd. Bij besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder besloten om eisers asielaanvraag van 10 juni 2026 niet in behandeling te nemen en om eiser over te dragen aan Duitsland. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld waarmee dit besluit in rechte vaststaat. Op 10 augustus 2026 heeft Nederland aan Duitsland met het oog op eisers overdracht meegedeeld dat eiser is ondergedoken. Eisers gemachtigde is op dezelfde datum van die kennisgeving op de hoogte gebracht.
2. Eiser stelt zich ten onrechte op het standpunt dat op zijn overdracht de regels van de oude Dublinverordening van toepassing zijn. Per 12 juni 2026 geldt namelijk de Ambv. De Dublin III-verordening is daarbij direct ingetrokken. In artikel 84 van de Ambv zijn overgangsmaatregelen getroffen. Daarbij is voor asielverzoeken van vóór 12 juni 2026 alleen geregeld welke verantwoordelijkheidscriteria daarop vanaf 12 juni 2026 van toepassing zijn. Dit betekent dat voor het overige vanaf 12 juni de Ambv van toepassing is, waaronder de daarin opgenomen bepalingen over feitelijke overdracht. In het geval van eiser is de overdrachtstermijn aangevangen met de bevestiging op 24 juni 2026 van de terugname van eiser door Duitsland, dus na het van kracht worden van de Ambv. Niet valt in te zien hoe een en ander in strijd komt met het beginsel van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid of het vertrouwensbeginsel, zoals eiser zonder enige onderbouwing stelt.
3. Uit artikel 46, eerste lid, van de Ambv volgt dat de overdracht moet plaatsvinden binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek dan wel de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan indien de betrokken persoon is ondergedoken de overdrachtstermijn worden verlengd tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt.
4. Eiser voert ten onrechte aan dat er geen reden bestond voor verlenging van de overdrachtstermijn, omdat hij op vrijwillige basis zou zijn teruggekeerd naar Duitsland. Allereerst heeft eiser zijn terugkeer naar Duitsland op geen enkele wijze onderbouwd. Verder doet een dergelijke terugkeer niet af aan de juistheid van de feitelijke grondslag voor de verlenging van de overdrachtstermijn. Eiser heeft immers niet bestreden dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht van verweerder, terwijl Duitsland alleen gecontroleerde overdrachten toestaat. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser is ondergedoken en daarvan kennis gegeven aan Duitsland, onder gelijktijdige mededeling van de verlenging van de overdrachtstermijn.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.