RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.33075
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: mr. J. Kennis).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een reguliere verblijfsvergunning . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de minister die pleiten tegen het treffen daarvan in deze uitspraak af.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft op 2 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij partner, mevrouw [referente] ’ (hierna: referente). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2023 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 17 oktober 2023 bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening zodat zijde behandeling van haar bezwaar in Nederland mag afwachten.
Met het besluit van 17 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.2.2. Verzoekster heeft op 21 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is daardoor op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep op 23 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster,
R. Lacin als tolk in de Engelse taal, referente en de gemachtigde van de minister mr. I.A.G. Lodders.
Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken van verzoekster heropend en de zaken verwezen naar een meervoudige kamer.
De meervoudige kamer heeft het beroep op 29 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, M. Fayez als tolk in de Engelse taal, referente en de gemachtigde van de minister mr. J. Kennis.
De rechtbank heeft op 6 oktober 2026 het onderzoek in de beroepszaak heropend en partijen meegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vraag van de Afdeling in de uitspraak van 11 juni 2025.
Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, verwijst zij deze weer terug naar de enkelvoudige kamer.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster heeft om schorsing van het bestreden besluit en het besluit van 17 oktober 2023 verzocht totdat op het beroep is beslist. Op de zitting heeft verzoekster het petitum van het verzoek aangevuld in die zin dat zij als ware in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) moet worden behandeld. Verzoekster heeft een akte van erkenning van 7 mei 2026 en een medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij op 27 november 2026 is uitgerekend voor de bevalling van haar kind met referente, dat de Nederlandse nationaliteit zal hebben. Zodra haar kind wordt geboren, komt verzoekster op grond van artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Omdat verzoekster aan de overige voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet, komt haar aanvraag voor inwilliging in aanmerking als zij nu alvast wordt behandeld als ware in het bezit van een mvv. Verzoekster kan vervolgens een zorgverzekering afsluiten vóór haar bevalling die is uitgerekend op 27 november 2026.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening om te worden behandeld als ware in het bezit van een mvv, nu zij op zeer korte termijn gaat bevallen van een Nederlands kind en zij zich niet kan laten verzekeren op grond van de Zorgverzekeringswet voor de medische kosten.
Het schorsen van het bestreden besluit en het besluit van 17 oktober 2023 levert verzoekster enkel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8, onder h van de Vw. Om een zorgverzekering te kunnen afsluiten op grond van de Zorgverzekeringswet is echter rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder a tot en met e, en l van de Vw vereist. Als verzoekster wordt behandeld als ware in het bezit van een mvv, komt de aanvraag voor inwilliging in aanmerking en valt verzoekster onder de reikwijdte van de Wet langdurige zorg en daarmee de Zorgverzekeringswet.
Belangenafweging
Niet in geschil is dat verzoekster aan alle overige voorwaarden voor inwilliging van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet en dat alleen het ontbreken van een mvv daaraan in de weg staat. De minister heeft zich ter zitting niet uitdrukkelijk verzet tegen de gevraagde voorziening. Gelet op het vergevorderde stadium van de zwangerschap van verzoekster weegt haar belang bij het kunnen afsluiten van een zorgverzekering voor een voorspoedige bevalling zwaarder dan het belang van de minister om vast te houden aan het mvv-vereiste tot aan de bevalling van verzoekster. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening in die zin dat het bestreden besluit en het besluit van 17 oktober 2023 zijn geschorst tot de uitspraak van de rechtbank op het beroep. De voorzieningenrechter draagt de minister op verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv. Om ervoor te zorgen dat verzoekster ook daadwerkelijk tijdig voor haar bevalling een zorgverzekering kan afsluiten draagt de voorzieningenrechter de minister ook op om verzoekster binnen één week na deze uitspraak de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak op het beroep;
- draagt de minister op verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf en aan haar binnen één week na deze uitspraak de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.