RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58413
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 19 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 2 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 september 2026 (NL26.47840) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat zicht op uitzetting ontbreekt. Er is nog geen laissez-passer afgegeven, terwijl de aanvraag al sinds 31 augustus 2026 loopt. Ook ontbreekt informatie over contact met de Algerijnse vertegenwoordiging naar aanleiding van het rappelleren, aldus eiser.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 8 september 2026 en 30 september 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse vertegenwoordiging. Ook is op 25 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
6. Verder voert eiser aan dat de voortgangsrapportage niet inzichtelijk maakt waarom de bewaring nog noodzakelijk is en waarom in eisers geval een meldplicht, plaatsgebod of een ander lichter middel niet volstaat. De voortduring van de maatregel is daarmee ondeugdelijk gemotiveerd, aldus eiser.
De rechtbank stelt vast dat zij bij uitspraak van 2 september 2026 al een oordeel heeft gegeven over deze beroepsgrond. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.