ECLI:NL:RBDHA:2026:29665

ECLI:NL:RBDHA:2026:29665

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 09-181222-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van een politieagent en heeft het plaats van ongeval verlaten. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden (met aftrek van het voorarrest). De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/181222-26

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.B. Schmidt naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 hij, op of omstreeks21 juni 2026 te Delft, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , werkzaam als vrijwilliger bij de Politie Eenheid Den Haag, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn beroep/bediening, opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten hersenletsel en/of een of meerdere schedelfracturen en/of een of meerdere (andere) verwondingen in/aan het hoofd) heeft toegebracht, door:- terwijl hij, verdachte, zich op een bromfiets/scooter bevond en die [slachtoffer] hem, verdachte, (bij de schouder/arm) had vastgepakt en/of vasthield,- gas te geven en/of met (hoge) snelheid weg te rijden en/of al dan niet slingerend te (blijven) rijden en/of- (al rijdend) een of meerdere trappende bewegingen tegen, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer] te maken,- ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tientallen meters, althans een aantal meter, werd meegesleurd en/of (vervolgens) al dan niet tegen een stoep en/of een (lantaarn)paal ten val is gekomen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij, op of omstreeks 21 juni 2026 te Delft, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , werkzaam als vrijwilliger bij de Politie Eenheid Den Haag, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn beroep/bediening, opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:- terwijl hij, verdachte, zich op een bromfiets/scooter bevond en die [slachtoffer] hem, verdachte, (bij de schouder/arm) had vastgepakt en/of vasthield,- gas heeft gegeven en/of met (hoge) snelheid is weggereden en/of al dan niet slingerend is gaan (blijven) rijden en/of- (al rijdend) een of meerdere trappende bewegingen tegen, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt,- ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tientallen meters, althans een aantal meter, werd meegesleurd en/of (vervolgens) al dan niet tegen een stoep en/of een (lantaarn)paal ten val is gekomen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 hij, als degene door wiens gedraging al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, althans als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Delft, althans in Nederland, op/aan de Papsouwselaan en/of het Delflandplein, op of omstreeks 21 juni 2026, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde onder feit 1, primair, en tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1, subsidiair en feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Vrijspraak feit 1, primair

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, met betrekking tot het ten laste gelegde onder feit 1, primair, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling zoals hem is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, subsidiair en feit 2

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Feit 1, subsidiair: poging zware mishandeling

Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte op 21 juni 2026 zijn eerste werkdag als bezorger had bij [bedrijfsnaam] in Delft en dat hij, hoewel hij geen rijbewijs voor een scooter heeft, op een scooter is gestapt om te gaan werken. Een paar seconden nadat de verdachte op een scooter [bedrijfsnaam] had verlaten, werd hij door een politieagent staande gehouden. De agent wilde bij de verdachte het rij- en kentekenbewijs controleren. Uit camerabeelden blijkt dat medewerkers van [bedrijfsnaam] vervolgens naar de verdachte gebaarden dat hij weg moest rijden c.q. moest vluchten. Daarop is de verdachte, zonder gehoor te geven aan het verzoek van de politieagent, op de scooter weggereden. De agent is op de fiets achter de verdachte aangereden en heeft een stuk verderop zijn hand op de schouder van de verdachte gelegd. De verdachte is op de scooter weggereden, terwijl de politieagent, die nog steeds op de fiets reed, de verdachte bleef vasthouden. Iets na de kruising van de Papsouwselaan en de Westlandseweg, op de trambaan, is de fiets van de politieagent gevallen en is de politieagent achter de scooter komen te hangen, waardoor hij tientallen meters is meegesleurd. Uit dashcambeelden blijkt dat de politieagent ter hoogte van een stalen paal plots roerloos blijft liggen. De rechtbank gaat er gelet hierop als vaststaand vanuit dat de politieagent tegen een (lantaarn)paal of de stoep bij die (lantaarn)paal ten val is gekomen. De politieagent heeft daarbij letsel opgelopen. Bij hem is een schedelfractuur, een hersenvliesbloeding en een breuk in het jukbeen geconstateerd en meerdere grote schaafwonden. De verdachte is na het incident weggereden. De verdachte heeft zich niet gemeld op het politiebureau, maar is drie dagen later door de politie aangehouden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Om tot een bewezenverklaring van een poging zware mishandeling te komen, moet worden bewezen dat de verdachte opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De verdachte zegt dat hij van de staandehouding en de hand op zijn schouder door de agent is geschrokken en dat hij, mede vanwege de gebaren van zijn collega’s, in een paniekreactie is weggereden. Hij zou zich er niet bewust van zijn geweest dat de agent achter zijn scooter hing en tegen een paal of de stoep bij een paal gevallen is. Ook als sprake is geweest van een schrik- of paniekreactie, zoals de verdachte verklaart, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, in het bijzonder dat de verdachte op een scooter op hoge snelheid is weggereden, terwijl de agent op de fiets de verdachte vasthield bij zijn schouder en dat de route die zij hebben afgelegd deels over een trambaan ging, de aanmerkelijke kans op zwaar letsel opleveren. Door deze gedragingen ontstond een reëel risico dat de politieagent ten val zou komen en – gelet op de hoge snelheid waarmee de verdachte reed en de verkeerssituatie ter plaatse, waarbij de verdachte over en naast de trambanen is gaan rijden, terwijl daarnaast palen en stoepranden lagen – daarbij zwaar letsel zou oplopen. Dat de verdachte niet in de gaten zou hebben gehad dat de politieagent hem vasthield en vervolgens, nadat hij van zijn fiets was gevallen, achter de scooter hing, is mede vanwege de afstand die de verdachte op de scooter met daarachter de agent voor zijn val hebben afgelegd, onaannemelijk. De gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Van contra-indicaties die zouden kunnen duiden op het tegendeel, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Van de ten laste gelegde gedragingen dat de verdachte slingerend zou hebben gereden en/of dat hij trappende bewegingen zou hebben gemaakt, wordt de verdachte vrijgesproken. Hoewel uit het dossier aanwijzingen hierover naar voren komen, kan de rechtbank deze gedragingen niet buiten redelijke twijfel vaststellen.

Feit 2: verlaten plaats ongeval

Vaststaat dat het slachtoffer door de verdachte op zijn scooter, die met hoge snelheid reed, tientallen meters is meegesleurd en tegen een stoep of een (lantaarn)paal ten val is gekomen.

Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte (daadwerkelijk) wist dat door het ongeluk aan het slachtoffer letsel was toegebracht. Gelet op de aard van het ongeluk en de wijze waarop het slachtoffer ten val is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het slachtoffer letsel was toegebracht. Desondanks heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten, zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. Dat de verdachte in paniek was geraakt en niet wist wat hij moest doen, maakt dit niet anders. Bovendien heeft de verdachte zich niet binnen 12 uren gemeld op het politiebureau. Drie dagen later is hij door de politie aangehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij, op 21 juni 2026 te Delft, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , werkzaam als vrijwilliger bij de Politie Eenheid Den Haag, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:- terwijl hij, verdachte, zich op een scooter bevond en die [slachtoffer] hem, verdachte, (bij de schouder) had vastgepakt en vasthield,- gas heeft gegeven en met (hoge) snelheid is weggereden en- ten gevolge waarvan die [slachtoffer] tientallen meters, werd meegesleurd en (vervolgens) tegen een stoep en/of een (lantaarn)paal ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij, als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Delft, op de Papsouwselaan en het Delflandplein, op 21 juni 2026, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede een rijontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoon van de verdachte en zijn kwetsbare positie, de (proces)houding van de verdachte en de mogelijkheid voor de verdachte om in Nederland zijn leven op een positieve en maatschappelijk waardevolle wijze op te bouwen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op 21 juni 2026 schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling, waarna hij op zijn scooter is weggereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Dit heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer. Zo heeft hij een schedelfractuur, een hersenvliesbloeding, een breuk in het jukbeen en schaafwonden opgelopen, en heeft hij na de behandeling in het ziekenhuis een revalidatietraject doorlopen. Ook heeft het incident gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt en is hij voorzichtiger geworden. Het slachtoffer heeft door middel van een schriftelijke slachtofferverklaring duidelijk gemaakt wat de gevolgen van het handelen van de verdachte voor niet alleen hem maar zijn gehele gezin zijn geweest. Het wegrijden met de scooter op hoge snelheid terwijl iemand zich aan de verdachte vasthield, is ernstig gevaarzettend gedrag. Dergelijke feiten, gepleegd in de publieke ruimte, brengen bovendien ook meer in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Dat dat hier ook het geval is geweest, blijkt wel uit de verklaringen van de omstanders die het incident hebben zien gebeuren.

Na het incident is de verdachte niet met zijn scooter stil gaan staan om zich om het slachtoffer te bekommeren. Hij is doorgereden terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het slachtoffer letsel en schade kon zijn toegebracht door het incident en aldus dat het slachtoffer hulpbehoevend was. Aan dit alles kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte een strafbeschikking van € 170,00 heeft gekregen voor hinderlijk gedrag op een openbare plaats op 1 augustus 2025 in Delft.

Persoon van de verdachte

De verdachte is geboren in [land 1] en is sinds 2022 in Nederland. De verdachte heeft een asielprocedure lopen en woonde voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit in een asielzoekerscentrum in Den Haag. De vrouw van de verdachte woont in [land 2] en zijn moeder en zus wonen in [land 1]. De potentiële gevolgen van de strafoplegging voor een feit zoals door de verdachte gepleegd zijn gezien zijn lopende asielprocedure verstrekkend.

Uitgangspunten, weging en conclusie ten aanzien van de op te leggen straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor zware mishandeling (zonder gebruik te maken van een wapen) 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij een poging is het vertrekpunt twee derde deel van het uitgangspunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict. Voor het verlaten van de plaats van een ongeval zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar en heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. De rechtbank hanteert, in aanmerking genomen de ernst en verwijtbaarheid van dit feit in de gegeven omstandigheden, een uitgangspunt van twee maanden gevangenisstraf.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer een politieagent is. De feiten zijn bovendien gepleegd na een staandehouding. De politie moet haar werk kunnen doen. Dit weegt de rechtbank, samen, twee vierde deel x vier maanden in het nadeel van de verdachte mee.

De rechtbank weegt daarentegen ook strafverlagende omstandigheden mee. Strafverminderend acht zij van belang dat de verdachte geen Nederlands spreekt en op zijn eerste werkdag geconfronteerd werd met een staandehouding, in een situatie waarin zijn werkgever hem op een scooter in plaats van een beloofde elektrische fiets liet rijden terwijl hij daarvoor geen rijbewijs had en zijn nieuwe collega’s gebaarden dat hij weg moest rijden voor de politieagent. Ook weegt de rechtbank in enige mate in strafverminderende zin mee dat de politieagent de verdachte bij zijn arm is blijven vasthouden toen hij op de scooter wegreed en in de ontstane onveilige situatie kennelijk geen aanleiding heeft gezien om los te laten. Voor de rechtbank is niet duidelijk, gegeven de beoogde rijbewijs- en kentekencontrole, wat de agent hiertoe in de gegeven omstandigheden heeft gebracht. Zij ziet onvoldoende feitelijke aanknopingspunten voor zijn verklaring dat hij uit balans raakte. Tot slot weegt de rechtbank de mogelijke gevolgen van deze veroordeling voor het verdere verblijf van de verdachte in Nederland in beperkte mate in strafverminderende zin mee. Dit alles weegt de rechtbank voor één vierde deel x vier maanden in het voordeel van de verdachte mee.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende, acht de rechtbank dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Voor het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, zoals door de officier van justitie geëist, ziet de rechtbank evenmin aanleiding, omdat dit gelet op de op te leggen straf en de omstandigheid dat de verdachte geen rijbewijs heeft en het blanco strafblad van de verdachte wat betreft verkeersfeiten, in dit geval naar haar oordeel geen redelijk strafdoel dient.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.754,00, te vermeerderen met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.654,00 aan materiële schade en € 12.100,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gehele bedrag, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit, subsidiair dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard ter zake van het verlies van arbeidsvermogen en (deels) ter zake van de immateriële schade, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De vordering moet worden afgewezen voor zover het ziet op de zonnebril.

Het oordeel van de rechtbank

Materiele schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten.

De gevorderde materiële schade bestaat uit kosten van het eigen risico van de zorgverzekering van € 885,00, kosten van huishoudelijke hulp van € 998,00 en ziekenhuisdaggeld vergoeding van € 152 per dag dat de benadeelde partij als gevolg van de poging zware mishandeling in het ziekenhuis heeft gelegen (in totaal 4 dagen). Deze vordering is grotendeels ondersteund met schriftelijke stukken, zoals facturen van de medische kosten en de richtlijnen van de letselschaderaad ten aanzien van ziekenhuisdaggeldvergoeding en huishoudelijke hulp. Dit deel van de vordering is namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 2.035,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover deze ziet op het verlies van arbeidsvermogen. De hoogte van de vordering is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering (dan wel de mogelijkheid tot bewijslevering) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering afwijzen voor zover de vordering ziet op de zonnebril. Uit de factuur die de benadeelde partij heeft verstrekt ter onderbouwing van dit deel van de vordering blijkt dat de zonnebril is aangeschaft door de heer [naam] . Daarom is niet gebleken dat de zonnebril aan de benadeelde partij toebehoorde. Dit blijkt ook overigens niet uit het dossier, zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten poging zware mishandeling.

Het lichamelijke letsel van de benadeelde partij bestaat uit, onder andere, een schedelfractuur, een hersenvliesbloeding en een gebroken jukbeen. Voor de vergoeding van de geleden immateriële schade bestaat derhalve een grondslag, artikel 6:106 lid 1 sub BW. Wat betreft de omvang van de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank van belang dat geen sprake is van een medische eindtoestand en zij daarmee niet kan vaststellen of en in hoeverre sprake is van blijvend (lichamelijk en mogelijk geestelijk) letsel. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering (dan wel de mogelijkheid tot bewijslevering) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Het gedeelte van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade wat tot op heden is gebleken, wordt door de rechtbank, mede in aanmerking genomen de Rotterdamse schaal, naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 3.000,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade en de immateriële schade toewijzen met ingang van 21 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.035,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

Proceskosten

De rechtbank zal aan [slachtoffer] een kostenvergoeding toekennen vanwege de kosten die zijn gemachtigde heeft gemaakt om een vordering in het strafproces in te dienen, de strafzitting bij te wonen en daar een toelichting te geven. Deze kosten zullen aan de hand van het liquidatietarief kanton worden begroot. Gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag (€ 5.035,00), het toepasselijke liquidatie tariefkanton (€ 360,00 per punt) en het door de benadeelde partij gevorderde aantal punten (twee punten), begroot de rechtbank deze kostenvergoeding op € 720,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft eveneens om vergoeding gevraagd van de gemaakte kosten voor het opstellen van een medisch advies van € 1.431,67. Voor vergoeding als vermogensschade komen in aanmerking, en kunnen in het strafproces worden toegewezen als onderdeel van de in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering bedoelde schade, buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand die vallen onder een van de in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde categorieën en die voldoen aan de vereisten dat (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging van de verdachte en de kosten; (ii) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in het gegeven geval redelijk was om des​kundige bijstand in te roepen; en (iv) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het procesdossier voldoende informatie bevat over het letsel waarvan nu duidelijk is dat de benadeelde partij dat als gevolg van het incident heeft opgelopen. Hoe het verloop van het herstel van het letsel zal zijn, is nu nog niet veel over te zeggen, zoals ook naar voren komt uit het medisch advies. Nu een medische eindtoestand nog niet is bereikt, was er in dit stadium onvoldoende aanleiding om een medisch adviseur in te schakelen. Gelet op deze omstandigheden zijn kosten voor het inschakelen van een medisch adviseur niet in redelijkheid gemaakt als bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank wijst de vordering in zoverre af.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 STK Scooter, aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt omtrent het beslag ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 STK Scooter.

9. De toepasselijke wetsartikelen

10. De beslissing

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 45, 58 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

- 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, subsidiair:

poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 5.035,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 juni 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

wijst de vordering tot schadevergoeding af tot een bedrag van € 2050,67;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op € 720,00 en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:

een bedrag van € 5.035,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de inbeslaggenomen goederen;

gelast de teruggave aan het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Scooter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.E. Bandsma, voorzitter,

mr. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

mr. R. Wieringa, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Van Ginkel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.E. Bandsma
  • mr. Ritsema van Eck-van Drempt
  • mr. R. Wieringa

Griffier

  • mr. E.M. Van Ginkel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand