RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48646
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Procesverloop
In het besluit van 24 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op een zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1971 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 juni 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder al asiel heeft aangevraagd in België. Verweerder heeft de autoriteiten van België hiervan kennisgegeven. Zij hebben de ontvangst daarvan bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat België daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMBV).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat er in België sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14893. De stelling van verweerder dat de Belgische autoriteiten hun best doen, doet aan deze uitspraken niet af. Daarnaast voert eiser aan dat hij tevens in Zweden eerder asiel heeft aangevraagd en dat er eerder sprake is geweest van een Duits terugnameverzoek, zodat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan België verantwoordelijk is.
4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. De situatie in België is sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 wezenlijk verbeterd. Diverse zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag volgen deze lijn, en tegen de door eiser aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Utrecht is hoger beroep ingesteld. Uit de brief van de Belgische autoriteiten van 5 februari 2026, die is gevoegd bij het Informatiebericht 2026/8 van de Immigratie- en naturalisatiedienst, volgt dat voor alleenstaande niet-kwetsbare mannen die niet direct toegang krijgen tot het opvangsysteem 2.000 humanitaire opvangplaatsen beschikbaar zijn. Het aantal personen dat hiervan gebruik maakt, is recentelijk significant afgenomen. Voorafgaand aan de Afdelingsuitspraak ging het om 2.645 personen en per 1 juni 2026 gaat het om 1.043 personen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser bij overdracht aan België niet adequaat zal worden opgevangen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat Duitsland eiser niet tijdig heeft overgedragen aan Zweden, en dat België eiser niet heeft overgedragen aan een andere lidstaat, zodat duidelijk is dat België verantwoordelijk is.
5. In aanvulling op de beroepsgronden voert eiser aan dat hij aanzienlijke psychische problemen heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een afschrift van de journaalregels van zijn medisch dossier overgelegd, gedagtekend op 14 september 2026. Daarnaast wijst eiser nog op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22805, waarin ook is geoordeeld dat er in België tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen. Tijdens de zitting heeft verweerder hierop gereageerd. Er blijkt niet van een actieve medische behandeling of een onmogelijkheid om te reizen. Daarnaast is ook in België medische zorg aanwezig, en zullen de Belgische autoriteiten bij de overdracht op de hoogte worden gebracht van de bekende medische klachten. Ook tegen de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch is hoger beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is de draagwijdte van het beroep bepaald. Hieruit volgt dat de rechtbank niet kan ingaan op wat is aangevoerd over de verantwoordelijkheid van België.
7. Wel moet worden ingegaan op de stelling van eiser dat de opvangomstandigheden in België niet adequaat zijn, voor zover die mogelijk raken aan het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit verbod zou in het geding zijn als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo. Eiser heeft met de door hem aangehaalde uitspraken niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Verweerder heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd dat sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 in België humanitaire opvang is gerealiseerd voor alleenstaande, niet-kwetsbare mannen die niet direct toegang kunnen krijgen tot het asielopvangsysteem, en dat de capaciteit van deze opvang voldoende is.
8. Uit eisers medisch journaal blijkt dat hem is uitgelegd dat er een vermoeden van psychische klachten is. Hieruit kan de rechtbank niet afleiden dat de overdracht aan België op zichzelf zal leiden tot ernstige en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak CK. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat België niet beschikt over de voor hem noodzakelijke medische voorzieningen, dan wel dat België niet bereid is om deze aan hem te verstrekken.
9. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.