ECLI:NL:RBDHA:2026:29671

ECLI:NL:RBDHA:2026:29671

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer NL26.19875
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen. Het beroep van eiser is daarom gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19875

(gemachtigde: mr. A.T. Bosman-Braam),

en

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de herhaalde asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat wel sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De rechtsgevolgen kunnen niet in stand blijven en de rechtbank maakt geen gebruik van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Dat betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 maart 2026 opnieuw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het verweerschrift.

3. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

4. Eiser heeft op 23 oktober 2021 voor de eerste keer asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 11 juli 2025 gegrond verklaard.

5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van de minister op 26 januari 2026 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. De Afdeling heeft daarbij onder andere het volgende overwogen:

“In de uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Mek’ele, de hoofdstad van Tigray, geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat de veiligheidssituatie in Humera, net als in Mek’ele, sinds de staakt-het-vurenovereenkomst van november 2022 sterk is verbeterd.”

(…)

“De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister te veel gewicht lijkt te hebben toegekend aan de cijfers van het Armed Conflict Location & Event Data. De minister betoogt immers terecht dat zij zich ook heeft gebaseerd op verschillende andere bronnen, en bij deze beoordeling ook is ingegaan op de door betrokkene overgelegde landeninformatie, waaronder het rapport van het UK Home Office, Country Policy and Information Note, Ethiopia: Tigrayans and the Tigrayans People’s Liberation Front, van december 2024; het algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024; een stuk van de International Commission of Human Rights Experts on Ethiopia van 18 september 2023; een bericht van de Addis Standard van 25 juli 2024; een artikel van de Deutsche Welle World van 8 juni 2024 en een update van het United Nations Human Rights Office of the High Commisioner van juni 2024. Alle genoemde informatie is eenduidig en maakt duidelijk dat er in Humera geen sprake meer is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict.”

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiser heeft op 20 maart 2026 de onderhavige aanvraag gedaan. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de Afdeling zijn situatie niet goed heeft beoordeeld. Volgens eiser is wel degelijk sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft volgens eiser miskend dat de daling van het aantal burgerdoden en mensenrechtenschendingen voortkomt uit het feit dat in Humera een etnische zuivering heeft plaatsgevonden, waardoor er niemand meer over was om te doden. Eiser stelt bovendien dat de situatie in Tigray inmiddels is verslechterd. In de zienswijze heeft eiser ter onderbouwing verwezen naar het jaarrapport van Human Rights Watch van

4 februari 2026, gegevens van het ACLED van 2 februari 2026 en informatie van de United Nations Office of the High Commissioner for Human Rights van 10 februari 2026. Eiser heeft verder verklaard dat zijn partner en zoon een status hebben gekregen in Nederland en dat hij gaat proberen om zijn zoon te erkennen.

7. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen heeft aangevoerd. De overgelegde landeninformatie is volgens de minister betrokken bij de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2026 op het hoger beroep van eiser. Volgens de minister valt de omstandigheid dat eiser vader is geworden van een kind met een Nederlandse verblijfsvergunning buiten de beoordeling van de asielaanvraag. De minister heeft verder het terugkeerbesluit van 13 juni 2024 en het inreisverbod voor twee jaar gehandhaafd. Dat eiser bezig is met een procedure om zijn zoon te erkennen, staat daar volgens de minister niet aan in de weg, omdat eiser niet als vader kan worden beschouwd.

8. De minister erkent in het verweerschrift dat hij in de besluitvorming ten onrechte niet is ingegaan op de stukken die eiser heeft overgelegd, waardoor volgens de minister sprake is van een motiveringsgebrek. De minister stelt zich op het standpunt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, omdat hij terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat wel sprake kan zijn van nieuwe elementen of bevindingen, maar dat deze niet relevant zijn. Om te kunnen beoordelen of sprake is van relevante elementen of bevindingen, is de minister in het verweerschrift ingegaan op de situatie in Tigray. In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat sinds de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van eiser geen significante wijzigingen in de algemene veiligheidssituatie hebben plaatsgevonden op grond waarvan nu wel moet worden aangenomen dat sprake is van een gewapend conflict in Tigray. De minister wijst daarbij ter onderbouwing op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Ethiopië van augustus 2026. De minister neemt ten aanzien van de regio Tigray en meer specifiek Humera, geen situatie aan als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Is sprake van nieuwe, relevante elementen of bevindingen?

9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen. De landeninformatie die eiser heeft overgelegd is wel degelijk een nieuw element of bevinding, omdat de informatie ziet op recente ontwikkelingen in Tigray in de periode eind 2025, begin 2026. Deze informatie was ten tijde van de eerdere besluitvorming en de Afdelingsuitspraak niet beschikbaar. De nieuwe elementen of bevindingen zijn bovendien relevant. Uit de bronnen blijkt een hernieuwde escalatie van geweld. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte niet gemotiveerd waarom de overgelegde informatie de kans op internationale bescherming niet vergroot. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2021 ter onderbouwing van zijn stelling dat gewijzigde feitelijke omstandigheden in het land van herkomst relevant zijn en een nieuw element kunnen vormen dat de beoordeling van internationale bescherming beïnvloedt. Uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2026 volgt volgens eiser bovendien dat een niet-ontvankelijkverklaring alleen gerechtvaardigd is als zonder inhoudelijke beoordeling evident is dat de aanvraag niet tot internationale bescherming kan leiden. De minister heeft daarom volgens eiser ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de besluitvorming in de eerdere procedure.

Eiser heeft verder in beroep informatie uit september 2026 overgelegd, van het ACLED, de Secretaris-Generaal van de VN, de Europese Commissie, de International Crisis Group en de NOS met betrekking tot de huidige situatie in Tigray. Daaruit blijkt volgens eiser dat sinds het verschijnen van het AAB 2026 sprake is van een duidelijke verdere escalatie van het gewapende conflict in Noord-Ethiopië, waaronder juist West-Tigray. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser op grond van zijn Tigrayse etniciteit als vluchteling moet worden aangemerkt. Uit diverse bronnen blijkt volgens eiser dat sprake is van een structureel vervolgingspatroon. Tot slot heeft eiser erop gewezen dat uit het AAB 2026 blijkt dat hij het risico loopt om gedwongen te worden gerekruteerd door de TDF.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat het vaderschap van eiser van een kind met een verblijfsvergunning in Nederland buiten de beoordeling van de asielaanvraag valt. Zijn kind heeft internationale bescherming. Op grond van het arrest XXXX kan een ouder aanspraak maken op de voordelen die voortvloeien uit de beschermingsstatus van een minderjarig kind.

Wat is het beoordelingskader?

10. De rechtbank beoordeelt of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt het beoordelingskader voor opvolgende asielaanvragen. Uit artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat een opvolgende asielaanvraag ontvankelijk is wanneer er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of overgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof van Justitie van de EU heeft in het arrest LH overwogen dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid uit twee fasen bestaat. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Als dat zo is, wordt in de tweede fase nagegaan of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

Het tweede en derde lid van artikel 40 van de Procedurerichtlijn zijn omgezet in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Uit dit artikel volgt dat een opvolgende aanvraag ontvankelijk is als daaraan nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit artikel gaat volgens de Afdeling zowel over de eerste als over de tweede fase bedoeld in het arrest LH. Anders dan uit artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat de minister moet beoordelen of nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, volgt uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 dat het gaat om de vraag of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarmee kent de Nederlandse implementatiewetgeving een minder streng ontvankelijkheidscriterium voor de tweede fase dan de Procedurerichtlijn. Daarom moet de minister in de tweede fase beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Als aan de hierboven genoemde vereisten is voldaan, moet de minister de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordelen.

Wat vindt de rechtbank?

De kinderen van eiser

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser vader stelt te zijn van (inmiddels) twee kinderen met een verblijfsvergunning in Nederland geen rol speelt bij de onderhavige aanvraag. Allereerst hoeft de minister bij een opvolgende asielaanvraag niet (ambtshalve) te toetsen of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Bovendien heeft eiser op de zitting verklaard dat hij zijn kinderen nog niet heeft erkend, waardoor eiser niet de juridisch vader van de kinderen is. Tot slot is de situatie in het door eiser aangehaalde arrest niet vergelijkbaar met die van eiser en slaagt het beroep van eiser daarop reeds daarom niet.

De situatie in Tigray

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is of ten aanzien van de situatie in Tigray sprake is van nieuwe elementen of bevindingen (eerste fase), maar wel of deze nieuwe elementen of bevindingen relevant zijn (tweede fase). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld daarvan geen sprake is. De rechtbank legt dat hieronder uit.

13. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit niet is ingegaan op de bronnen waarnaar eiser heeft verwezen. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het verweerschrift aan de hand van het AAB 2026 heeft beoordeeld of in Tigray thans wel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, of de discriminatie van Tigrayans in de betwiste gebieden de lat van vervolging haalt en of eiser het risico op gedwongen rekrutering loopt. De minister concludeert dat geen sprake is van een andere 15c-situatie dan beschreven in de Afdelingsuitspraak van 26 januari 2026, dat de discriminatie van Tigrayans niet de lat van vervolging haalt en dat eiser geen risico op gedwongen rekrutering loopt omdat hij niet uit een gebied komt dat onder controle staat van de TDF/TPLF, en dat daarom geen sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee een onjuist beoordelingskader gebruikt. De minister moet namelijk beoordelen of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en niet of deze (kunnen) leiden tot inwilliging van de aanvraag.

14. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de bronnen waarnaar eiser heeft verwezen, dateren van na de uitspraak van de Afdeling op zijn hoger beroep. De informatie is in de eerdere asielprocedure, noch in die uitspraak bij de beoordeling betrokken. Bovendien blijkt uit de informatie dat sprake is van hernieuwde gewapende confrontaties en mogelijk een beeld van verslechtering van de situatie ten opzichte van de situatie zoals beschreven in de bronnen uit 2024, waarnaar de minister blijkens de Afdelingsuitspraak in de eerste asielprocedure van eiser heeft verwezen. Verder blijkt uit het AAB 2026 dat de regio Humera, waaruit eiser afkomstig is, inmiddels onder controle staat van het ENDF en regeringsgezinde Amhaarse milities en dat Tigrayers in de betwiste gebieden, waaronder Humera, waren gedwongen tot een bestaan als tweederangsburgers. Uit het ambtsbericht blijkt ook dat in het controlegebied van het TPLF en TDF gedwongen rekrutering plaatsvindt. Hoewel eiser afkomstig is uit een gebied dat momenteel onder controle staat van het ENDF, acht de rechtbank van belang dat eiser op de zitting heeft toegelicht dat hij om te kunnen terugkeren naar Humera moet reizen door gebied dat wel onder controle staat van de TDF en dat hij dan het risico loopt te worden opgepakt bij controleposten. Tot slot blijkt uit de stukken die eiser in de aanvullende beroepsgronden heeft overgelegd dat de situatie in Tigray na het verschijnen van het AAB 2026 is geëscaleerd, waarbij op meerdere plaatsen, waaronder in het gebied waar eiser vandaan komt, zware gevechten zijn uitgebroken tussen de ENDF en TDF. Gelet op deze informatie en ontwikkelingen heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. De overgelegde (landen)informatie kan namelijk relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

15. Gelet op het voorgaande is het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om conform het verzoek van de minister de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister ten onrechte uitsluitend heeft beoordeeld of de asielaanvraag van eiser ontvankelijk is en ten onrechte geen volledige inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiser heeft verricht. De beoordeling in het verweerschrift ziet op de ontvankelijkheid van de asielaanvraag en kan daarmee het gebrek in het bestreden besluit niet herstellen.

16. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, zoals eiser heeft verzocht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid heeft om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Verder heeft de rechtbank, als zij van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. In het arrest heeft het Hof verder benadrukt dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming door een administratief of semi-rechterlijk orgaan dat beschikt over specifieke middelen en op dit gebied gespecialiseerd personeel een essentiële fase is van de bij de Procedurerichtlijn ingevoerde gemeenschappelijke procedures, maar dat die autoriteit niet bij uitsluiting bevoegd is om verzoeken om internationale bescherming te beoordelen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid zoals hierboven omschreven. De rechtbank benadrukt daarbij allereerst dat het een bevoegdheid en geen verplichting betreft. Bovendien kan de rechtbank, mede gelet op de recente ontwikkelingen in Tigray, niet vaststellen of zij beschikt over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens om een uitspraak te kunnen doen over de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. De rechtbank draagt daarom de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser en daarbij in te gaan op de door eiser aangedragen nieuwe relevante feiten en omstandigheden, alsmede op de recente ontwikkelingen in Tigray.

Conclusie en gevolgen

17. De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 april 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand