RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33645
Mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. Bij brief van 28 augustus 2026 heeft verweerder meegedeeld dat eiseres op 17 augustus zelfstandig is vertrokken. Bij bericht van 7 september 2026 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank meegedeeld dat hij niet op de hoogte was gebracht van het vertrek van eiseres.
2. Gelet op deze omstandigheden en de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt de rechtbank aan dat eiseres niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiseres heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
3. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 6 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.