RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11234
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Procesverloop
In het besluit van 20 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum 1] 1980 en bezit de Senegalese nationaliteit.
2. Op 22 mei 2025 is eiser door de Kmar, brigade grensbewaking, gehoord naar aanleiding van de vaststelling dat hij de vrije termijn zoals bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 met meer dan drie dagen heeft overschreden en Nederland niet onmiddellijk heeft verlaten. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij geen zienswijze heeft kunnen indienen omdat hij de informatiefolder in de Engelse taal niet kon begrijpen en daarom niet bekend was met de inhoud van het besluit. Eiser is werkzaam geweest in de keuken van een hotel-restaurant in Nederland. Nu eiser zijn relatie met zijn partner wilde gaan formaliseren is hij op vrijwillige basis teruggekeerd naar Senegal om aldaar de procedure te volgen voor een verblijfsvergunning. Eiser en zijn partner zijn in Senegal getrouwd op [datum 2] 2024, hiervan heeft eiser een religieuze huwelijksakte overgelegd. Bij bericht van 7 september 2024 heeft eiser laten weten dat hij inmiddels twee inburgeringsexamens heeft behaald.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Niet in geschil is dat tegen eiser op 22 mei 2024 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.
4. Gelet op het tijdstip van deze uitspraak beoordeelt de rechtbank allereerst of eiser nog procesbelang heeft. Hoewel uit het bestreden besluit blijkt dat eiser op 22 mei 2024 naar Senegal is teruggekeerd, bestaat geen volledige duidelijkheid over de vraag of eiser nadien de Europese Unie weer is ingereisd en of het inreisverbod vervolgens al is verlopen. Om die reden zal de rechtbank de zaak inhoudelijk behandelen. Als het inreisverbod in stand blijft, kan namelijk niet worden uitgesloten dat dit gevolgen heeft voor de mogelijkheden om indien nodig opnieuw een inreisverbod aan eiser uit te vaardigen.
5. In wat eiser aanvoert kan geen reden worden gevonden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Dat eiser gedurende enige tijd in Nederland heeft gewerkt en stelt een verblijfsprocedure bij zijn Nederlandse echtgenote (destijds partner) te willen starten, zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het opleggen van een inreisverbod achterwege had moeten blijven. Dit geldt evenmin voor de door eiser overgelegde huwelijksakte en informatie over het behalen van onderdelen van het inburgeringsexamen, deze dateren immers van na het opleggen van het bestreden besluit. Ook de omstandigheid dat dat eiser geen zienswijze heeft ingediend omdat hij de Engelse taal niet voldoende machtig zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
6. Ambtshalve oordelend ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten vanwege een refoulementrisico.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank stelt verder vast dat in deze zaak (ten onrechte) griffierecht is geheven. Nu sprake is van een beroep tegen het uitvaardigen van een inreisverbod, was voor de behandeling van het beroep geen griffierecht verschuldigd. De rechtbank bepaalt daarom dat de griffier het door eiser betaalde griffierecht van € 187 aan eiser terugbetaalt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
.