RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14411
geboren op [datum],
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van
11 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en tot de Maura-bevolkingsgroep te behoren. Hij heeft verklaard dat hij tot het overlijden van zijn moeder in 2022 bij haar woonde en dat hij daarna bij zijn oom is gaan wonen. Op enig moment is eiser samen met zijn oom vertrokken en is hij met hem gaan reizen. Onderweg naar Tunesië is eiser zijn oom uit het oog verloren. Sindsdien heeft hij geen contact meer met hem gehad. Verder heeft eiser verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij in Gambia bevriend was met een man die eveneens homoseksueel is. Volgens eiser is de seksuele gerichtheid van deze man bekend geworden, waarna deze man is gevlucht. Eiser stelt dat hij in Gambia niemand meer heeft op wie hij kan terugvallen. Hij vreest bij terugkeer naar Gambia vanwege zijn homoseksuele gerichtheid problemen te zullen ondervinden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig. De nationaliteit en herkomst van eiser vindt de minister geloofwaardig, de identiteit van eiser niet. Eiser heeft zijn identiteit niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft daarnaast wisselend verklaard over zijn geboortedatum en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Ook de homoseksuele gerichtheid van eiser acht de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is niet het geval omdat eisers verklaringen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Gambia heeft te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.
Zienswijze
5. Voor zover eiser met de verwijzing naar hetgeen in de zienswijze is aangevoerd over wat eiser wel en niet heeft verklaard, bezien tegen de achtergrond van zijn herkomst, is bedoeld de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de rechtbank dat een dergelijke algemene verwijzing onvoldoende is. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
6. Eiser betoogt verder dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn culturele achtergrond. Volgens eiser kunnen cultureel bepaalde omstandigheden van invloed zijn op de mate waarin hij openlijk over persoonlijke gevoelens kan verklaren. De minister heeft hiervoor volgens eiser ten onrechte geen ruimte gelaten in de beoordeling van zijn verklaringen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het betoog van eiser dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn culturele achtergrond, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet geconcretiseerd welke cultureel bepaalde omstandigheden in zijn specifieke geval een rol hebben gespeeld, op welke wijze deze omstandigheden van invloed zijn geweest op zijn vermogen om over zijn persoonlijke gevoelens en ervaringen te verklaren en welke verklaringen de minister om die reden anders had moeten beoordelen. De enkele, algemene stelling dat iemands culturele achtergrond van invloed kan zijn op de wijze waarop diegene over persoonlijke gevoelens verklaart, is daarvoor onvoldoende. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt verder dat eiser herhaaldelijk en op verschillende momenten is bevraagd over de ontdekking en ontwikkeling van zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Daarbij is doorgevraagd, zijn pauzes ingelast en is eiser erop gewezen dat hij uitgebreider moest verklaren. Desondanks zijn eisers verklaringen op relevante onderdelen algemeen, summier en weinig concreet gebleven.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij zijn gevoelens voor mannen heeft ontdekt en ervaren. Hij kon niet concreet beschrijven wat hij voelde, hoe hij die gevoelens herkende en hoe hij deze voor zichzelf duidde. Ook heeft hij niet eenduidig verklaard over het moment waarop hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gerichtheid: zijn verklaringen lopen uiteen van zijn vijftiende levensjaar tot ongeveer zeven maanden geleden, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij mannen altijd al leuk vond. Daarnaast zijn eisers verklaringen over de aard van zijn gevoelens, het geheimhouden van zijn gerichtheid en zijn gestelde relaties algemeen gebleven. Zo heeft hij gesproken over “energie” en “connectie”, zonder dit nader toe te lichten. Hoewel hij heeft verklaard dat hij bang was en smoesjes moest gebruiken, heeft hij niet concreet gemaakt hoe de geheimhouding zijn dagelijks leven en persoonlijke beleving beïnvloedde. Ook over zijn gestelde relaties met [naam 2] en [naam 3] heeft hij onvoldoende concreet verklaard over hun persoonlijke band, gesprekken, gevoelens en toekomstplannen.
Gelet op het geheel van deze verklaringen heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke ervaringen, gevoelens en bewustwordingsproces. Nu eiser niet heeft toegelicht waarom zijn culturele achtergrond hem juist op deze onderdelen verhinderde concreter te verklaren, hoefde de minister daarin geen aanleiding te zien om zijn verklaringen anders te beoordelen.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.