ECLI:NL:RBDHA:2026:29708

ECLI:NL:RBDHA:2026:29708

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer NL26.25038
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De voorzieningenrechter wijst bij afweging van alle betrokken belangen het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Het draait in deze zaak vooral om de vraag of de noodzakelijke medische zorg en de benodigde behandeling in Pakistan voor verzoeker feitelijk toegankelijk is. Volgens de minister ligt de bewijslast hiervoor in de eerste plaats bij verzoeker. Gelet op de aanhangige prejudiciële vraag van de zittingsplaats Roermond over de bewijslastverdeling voor de feitelijke toegankelijkheid en gelet op de ernst van de medische problematiek die verzoeker heeft en de conclusie van het Bureau medische advisering dat bij het uitblijven van medische zorg een medische noodsituatie zal ontstaan, alsmede het feit dat verzoeker bij een toegewezen verzoek hangende beroep recht op opvang (en zijn daaraan gekoppelde zorgverzekering) behoudt, concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker een zwaarwegend belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.25038

(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),

en

Procesverloop

1. Met het besluit van 3 juni 2025 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als ongegrond en verzoeker voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling over de toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het uitstel gold voor maximaal zes maanden, tot 3 december 2025.

Met het besluit van 2 december 2025 heeft de minister verzoeker opnieuw voorlopige uitstel van vertrek verleend, tot uiterlijk 3 juni 2026.

2. Met het besluit van 7 april 2026 heeft de minister verzoeker meegedeeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (dit verzoek).

Met het besluit van 28 juli 2026 heeft de minister het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (NL26.48238), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Op 29 september 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht het verzoek met spoed te behandelen.

Verweerder heeft op 5 oktober 2026 een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft op 6 oktober 2026 op het verweerschrift gereageerd.

De voorzieningenrechter sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar of beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit staat in artikel 8:81 van de Awb.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van onverwijlde spoed. Met de brief van 29 september 2026 (uitnodiging zienswijzegesprek) heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) verzoeker meegedeeld dat de hem toegekende Rva-verstrekkingen op korte termijn zullen worden beëindigd, omdat het aan verzoeker toegekende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw sinds 7 april 2026 is verstreken. Verzoeker heeft inmiddels van het COA begrepen dat hij de opvang op 7 oktober 2026 moet verlaten. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoeker het recht op verstrekkingen behoudt zoals hij die genoot voor het besluit van 7 april 2026.

Gronden van het verzoek

5. Met zijn verzoek om een voorlopige voorziening beoogt verzoeker om hangende de beroepsprocedure te worden behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Niet in geschil is dat verzoeker bij het uitblijven van een medische behandeling in een medische noodsituatie zal geraken. Medische behandeling en de benodigde medicatie zijn volgens verzoeker voor hem in Pakistan niet beschikbaar en niet feitelijk toegankelijk. Verzoeker wijst in dit verband onder meer op de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Roermond van 27 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1324), waarin de rechtbank een prejudiciële vraag heeft gesteld over de bewijslastverdeling ten aanzien van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg in het land waar de terugkeerverplichting op ziet.

Standpunt verweerder

6. De minister verzet zich tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. In reactie op het spoedverzoek heeft verweerder zich (nogmaals) gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn stelling dat medische zorg in Pakistan voor hem niet feitelijk beschikbaar en toegankelijk is, niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Verzoeker heeft daarom niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Verweerder stelt verder dat uit het BMA-advies niet volgt dat verzoeker zonder opvang al in een medische noodsituatie komt te verkeren en dat verzoeker dit ook niet heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Verzoeker blijft toegang houden tot medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw.

Belangenafweging

7. De voorzieningenrechter zal zich in deze uitspraak beperken tot een afweging van de belangen van verzoeker en die van de minister in het kader van de gevraagde voorziening. Deze belangenafweging valt uit in het voordeel van verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het beroep namelijk niet op voorhand kansloos.

Het draait in deze zaak vooral om de vraag of de noodzakelijke medische zorg en de benodigde behandeling in Pakistan voor verzoeker feitelijk toegankelijk is. Volgens de minister ligt de bewijslast hiervoor in de eerste plaats bij verzoeker. Gelet op de aanhangige prejudiciële vraag van de zittingsplaats Roermond over de bewijslastverdeling voor de feitelijke toegankelijkheid en gelet op de ernst van de medische problematiek die verzoeker heeft en de conclusie van het Bureau medische advisering dat bij het uitblijven van medische zorg een medische noodsituatie zal ontstaan, alsmede het feit dat verzoeker bij een toegewezen verzoek hangende beroep recht op opvang (en zijn daaraan gekoppelde zorgverzekering) behoudt, concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker een zwaarwegend belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek. Wanneer verzoeker op straat zal moeten leven en geen zorgverzekering meer heeft, acht de voorzieningenrechter de kans groot dat verzoeker de noodzakelijke medische behandeling niet zonder belemmeringen en daardoor niet tijdig zal verkrijgen (ondanks de in artikel 10 lid 2 van de Vw neergelegde aanspraak). Van kenbaar zwaarwegende belangen aan de zijde van de minister, die nopen tot een afwijzing van de gevraagde voorziening is de voorzieningenrechter niet gebleken. De minister heeft deze belangen in zijn reactie van 5 oktober 2026 ook niet gesteld. Hierdoor wegen de belangen van verzoeker zwaarder dan de belangen van de minister.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Verzoeker moet gedurende de beroepsprocedure worden behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Dit betekent dat hij recht behoudt op de Rva-verstrekkingen.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand