RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.52839 (beroep) en NL26.52840 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Stap)
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
1. Eiser heeft op 20 juni 2026 asiel aangevraagd. Hij was vervolgens uitgenodigd voor een gehoor om zijn asielrelaas toe te lichten. Eiser is echter niet verschenen op het gehoor. Eiser heeft ook niet binnen drie dagen aan verweerder laten weten waarom hij niet was gekomen.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom buiten behandeling gesteld. Dit kan verweerder doen op grond van de nieuwe Procedureverordening.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij heeft argumenten gegeven voor zijn beroep. Dat zijn de beroepsgronden.
De rechtbank heeft het besluit van verweerder getoetst op basis van eisers beroepsgronden. De rechtbank volgt verweerders besluit en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser ongelijk krijgt.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 1 september 2026 buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eiser niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995. Zijn nationaliteit is onbekend. Ook is nog onbekend wat de reden voor zijn asielaanvraag is.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van de artikelen 13 en 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening en op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is namelijk niet verschenen op het gehoor dat gepland stond op 21 augustus 2026. Eiser heeft vervolgens niet binnen drie dagen laten weten waarom hij niet kon komen.
Op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw heeft verweerder eiser opgedragen om zich te begeven naar Griekenland, omdat eiser daar internationale bescherming heeft.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld?
5. Eiser voert aan dat verweerder eisers asielaanvraag niet buiten behandeling mocht stellen. Eiser was niet op het gehoor verschenen omdat hij griep had en koorts. Van omwonenden had eiser begrepen dat als hij niet op zijn gehoor zou verschijnen, een medewerker van het COA of het VWN langs zou komen op zijn kamer en dat hij dan wel zou kunnen uitleggen waarom hij niet naar het gehoor gekomen was.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
In artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening staat dat verweerder een asielaanvraag als impliciet ingetrokken mag verklaren, als de asielzoeker zonder gegronde redenen een gehoor niet heeft bijgewoond. In artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Vw is neergelegd dat verweerder een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als de asielaanvraag impliciet is ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.
In de uitnodigingsbrief voor het gehoor daterend van 10 augustus 2026 staat dat het belangrijk is dat eiser naar het gehoor komt. Er staat ook dat eiser verweerder kan bellen als hij niet naar het gehoor kan komen. Hij kan daarbij eventueel hulp vragen van de woonbegeleiders van het COA. Eiser is echter niet komen opdagen op het gehoor van 21 augustus 2026 en heeft niets aan verweerder laten weten. In de brief die op 21 augustus 2026 naar eiser is verstuurd, staat dat verweerder die dag navraag heeft gedaan bij het COA en dat een medewerker van het COA heeft geconstateerd dat eiser niet aanwezig was op het AZC. De medewerker had ook geconstateerd dat eiser de uitnodigingsbrief voor het gehoor wel had ontvangen. Met de brief van 21 augustus 2026 heeft verweerder eiser drie dagen de tijd gegeven om zijn verzuim te herstellen en verweerder te laten weten waarom hij niet naar het gehoor was gekomen. Eiser heeft echter niets laten weten. Pas in beroep heeft eiser gesteld dat hij op 21 augustus 2026 ziek was en dat hij op zijn kamer in het AZC aan het wachten was. De rechtbank overweegt dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een uitdraai van zijn patiëntendossier. Bovendien rijmt eisers stelling niet met de constatering van het COA dat eiser die dag niet aanwezig was op het AZC. Evenmin heeft eiser laten weten waarom hij niet binnen drie dagen alsnog uitleg heeft gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag verweerder van eiser verwachten dat hij teruggaat naar Griekenland?
6. Eiser voert aan dat verweerder niet van hem kan verwachten dat hij zich naar Griekenland begeeft. Griekenland is immers geen veilig land en er zijn tekortkomingen in de asielprocedure. Als eiser teruggaat naar Griekenland, dan levert dat een schending op met artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft namelijk onvoldoende onderbouwd waarom hij zich niet naar Griekenland kan begeven. Hij heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn beroepsgrond ter zitting nader te onderbouwen. Eisers stelling dat er in Griekenland tekortkomingen zijn in de asielprocedure, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers al internationale bescherming gekregen in Griekenland. Daarom hoeft hij bij terugkeer naar Griekenland de asielprocedure niet meer te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling mogen stellen. Het beroep is ongegrond.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.