RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.57707
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 15 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 28 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.1
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 augustus 2026 (NL26.46818) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering. Het is onduidelijk op welke datum bekend is geworden dat eiser op 9 oktober 2026 in persoon zal worden gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Bovendien heeft de minister in september maar één keer, op 8 september 2026, gerappelleerd. De minister had ook na 8 september 2026 moeten rappelleren omdat de minister dat ook in augustus tweemaal heeft gedaan, aldus eiser.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 8 september 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast is op 21 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ook staat voor 9 oktober 2026 een presentatie in persoon gepland. Voor zover eiser betoogt dat de minister in september 2026 nog een keer had moeten rappelleren, volgt de rechtbank dit niet. Dat de minister in augustus 2026 tweemaal heeft gerappelleerd, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat niet duidelijk is op welke datum bekend is geworden dat eiser op 9 oktober 2026 zal worden gepresenteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser.
6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.2
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.