RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58867
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 31 augustus 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 7 oktober 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 september 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 9 september 2026.
3. In reactie op de voortgangsrapportage heeft eiser laten weten dat hij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Hij verzoekt de rechtbank om de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring ambtshalve te toetsen. Eiser refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel.
4. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er zijn geen aanknopingspunten dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Eiser is in het bezit van een paspoort. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend. In afspraak met eiser heeft verweerder geen vertrekgesprekken gevoerd met eiser in afwachting van zijn asielprocedure. Uit de voortgangsrapportage volgt dat het beroep van eiser tegen de beschikking asiel ongegrondverklaring op 2 oktober 2026 ongegrond is verklaard. Verweerder heeft vervolgens op diezelfde datum een vluchtaanvraag gedaan en op 5 oktober 2026 een escorteopdracht uitgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
5. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.