ECLI:NL:RBDHA:2026:29732

ECLI:NL:RBDHA:2026:29732

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer NL26.57295
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewaring art. 59 Vw. Wel tijdig aangevangen met voorbereidingshandelingen gedurende ISD-maatregel, maar desondanks door minister niet voldaan aan inspanningsverplichting. Daaropvolgende belangenafweging in voordeel eiser. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.57295

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

(gemachtigde: mr. O. Sari).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 september 2026 heeft de minister aan eiser, die de Somalische nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 1988, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

5. Eiser betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting, als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Die verplichting is volgens de hiervoor genoemde paragraaf erop gericht om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Eiser stelt dat de minister in zijn geval onvoldoende handelingen heeft verricht om dat te voorkomen.

Uit het dossier blijkt dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel de aan hem opgelegde ISD-maatregel voor de duur van twee jaar heeft ondergaan. Tussen partijen is niet in geschil dat ook in dit geval op de minister de inspanningsverplichting rustte om te voorkomen dat eiser in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld.

Uit recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Met betrekking tot een strafrechtelijke detentie van meer dan 30 dagen heeft de Afdeling overwogen dat het overdrachtsdossier uiterlijk dertig dagen vóór de einddatum van de strafrechtelijke detentie bij Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) moet zijn. Uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, moet de minister een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt dat de minister in het geval van eiser eerder dan dertig dagen voor het einde van de strafrechtelijke detentie van eiser (op 26 september 2026) is begonnen met het voorbereiden van de uitzetting. Op 6 augustus 2026 is met eiser immers een vertrekgesprek gevoerd en voor eiser was een vlucht geboekt naar Mogadishu, Somalië voor 11 augustus 2026. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het overdrachtsdossier toen al in handen was van DT&V en ook dat er bij het Openbaar Ministerie (OM) geen bezwaar bestond tegen de uitzetting van eiser vóór het einde van de ISD-maatregel. De minister is dus wel op tijd begonnen met het treffen van voorbereidingshandelingen voor de uitzetting.

Toch is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Immers, nadat de vlucht op 11 augustus 2026 niet was doorgegaan in verband met de asielaanvraag van eiser op 8 augustus 2026, heeft de minister op 10 augustus 2026 het besluit genomen dat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten en dat hij een eventueel in te stellen bezwaar tegen deze beslissing evenmin in Nederland mocht afwachten. Uit het dossier blijkt verder dat door de Somalische autoriteiten een laissez passer voor eiser was verstrekt die geldig was tot 5 september 2026. Gelet daarop valt niet in te zien waarom de minister in dit specifieke geval niet nogmaals heeft geprobeerd een vlucht te boeken, om zo gebruik te kunnen maken van de nog tot 5 september 2026 geldige laissez passer en om zo de vreemdelingenbewaring van eiser te kunnen voorkomen. De minister heeft daarvoor ter zitting ook geen plausibele verklaring kunnen geven. Zijn uitleg dat geen nieuwe vlucht is geboekt omdat het hoger beroep in de zaak tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning nog liep, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. Eiser mocht dit hoger beroep immers niet in Nederland afwachten en het vormde eerder ook geen beletsel om een vlucht naar Somalië te boeken voor eiser. Er zijn de rechtbank verder ook geen omstandigheden bekend op grond waarvan eiser niet had kunnen worden uitgezet. Dat de minister in de 30 dagen voor het einde van de ISD-maatregel wel om een nieuwe laissez passer heeft verzocht bij de Somalische autoriteiten en het OM nogmaals heeft gevraagd of er bezwaar bestaat tegen eisers uitzetting, kan daarom in dit specifieke geval niet leiden tot het oordeel dat de minister heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Eisers beroepsgrond slaagt.

In het geval dat de minister geen of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de inspanningsverplichting, betekent dat niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak is er dan namelijk ruimte voor een belangenafweging.

Uit recente rechtspraak volgt dat bij de belangenafweging na een schending van de inspanningsverplichting in ieder geval een rol spelen:

- De duur van de schending van de inspanningsverplichting;

- de duur van de vreemdelingenbewaring en de mate waarin de minister daarin voortvarend handelt gericht op de uitzetting of overdracht van een vreemdeling;

- de mogelijkheden voor de minister om op korte termijn een terugkeer of overdracht vanuit vreemdelingenbewaring te realiseren;

- de mate waarin een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek of het vertrek frustreert of eerder heeft gefrustreerd.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval zwaar weegt dat door de minister niet aannemelijk is gemaakt dat eisers terugkeer nu op korte termijn kan worden gerealiseerd, terwijl eerder een laissez passer voorhanden was waar de minister gebruik van had kunnen maken en waarmee hij de maatregel tot vreemdelingenbewaring mogelijk had kunnen voorkomen. Vooralsnog is ook niet gebleken dat eiser zijn terugkeer frustreert en de minister heeft verder ook geen zwaarwegende belangen gesteld. De ernst van de schending van de inspanningsverplichting maakt in dit geval dan ook dat het belang van eiser prevaleert boven het belang van de minister bij een bewaring gericht op het kunnen uitzetten van eiser. Als gevolg daarvan is de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het begin onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 5 oktober 2026. Wat eiser verder heeft aangevoerd tegen de bestreden maatregel hoeft daarom niet te worden besproken.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.240,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van

5 oktober 2026;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.240,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L.C.M. Ficq

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand