ECLI:NL:RBDHA:2026:29733

ECLI:NL:RBDHA:2026:29733

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer NL26.57291
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewaring art. 59a Vw. Schending inspanningsverplichting, belangenafweging in voordeel eiser, gelet op oa duur schending. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.57291

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

(gemachtigde: mr. O. Sari).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Majdoubi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting, als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Die verplichting is volgens de hiervoor genoemde paragraaf erop gericht om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Eiser stelt dat de minister in zijn geval onvoldoende handelingen heeft verricht om dat te voorkomen.

Uit het dossier blijkt dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel in strafrechtelijke detentie zat vanaf 4 augustus 2026. Eiser zat tot

19 augustus 2026 in voorlopige hechtenis en van 19 augustus 2026 tot 25 september 2026 zat hij een gevangenisstraf van acht weken uit.

Uit recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Met betrekking tot een strafrechtelijke detentie van meer dan 30 dagen heeft de Afdeling overwogen dat het overdrachtsdossier uiterlijk dertig dagen vóór de einddatum van de strafrechtelijke detentie bij Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) moet zijn. Uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, moet de minister een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval.

De minister stelt dat op 25 augustus 2026 met eiser een gesprek is gevoerd in het kader van het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, gelet op het formulier M90 (‘vordering om in persoon te verschijnen’) van 21 augustus 2026. Volgens de minister is er daarom geen sprake van een schending van zijn inspanningsverplichting.

De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond slaagt. Voor zover op

25 augustus 2026 een gesprek heeft plaatsgevonden met eiser ontbreekt daarvan een verslag in het dossier en is derhalve niet verifieerbaar of dat gesprek van enige betekenis was voor eisers overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Nu verder ook niet is gebleken van andere voorbereidingshandelingen gedurende eisers strafrechtelijke detentie heeft de minister zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser daarna in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, geschonden.

In het geval dat de minister geen of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de inspanningsverplichting, betekent dat niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak is er dan namelijk ruimte voor een belangenafweging.

Uit recente rechtspraak volgt dat bij de belangenafweging na een schending van de inspanningsverplichting in ieder geval een rol spelen:

- De duur van de schending van de inspanningsverplichting;

- de duur van de vreemdelingenbewaring en de mate waarin de minister daarin voortvarend handelt gericht op de uitzetting of overdracht van een vreemdeling;

- de mogelijkheden voor de minister om op korte termijn een terugkeer of overdracht vanuit vreemdelingenbewaring te realiseren;

- de mate waarin een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek of het vertrek frustreert of eerder heeft gefrustreerd.

De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval uitvalt in het voordeel van eiser. De minister heeft geen enkele verifieerbare uitzettingshandeling verricht tijdens de strafrechtelijke detentie en ook na aanvang van de inbewaringstelling heeft de minister nog geen aanvang gemaakt met het claimen van eiser bij de verantwoordelijke lidstaat. Er is daarom ook nog geen zicht op een overdracht op korte termijn. Vooralsnog is ook niet gebleken dat eiser zijn overdracht frustreert en de minister heeft zelf verder geen zwaarwegende belangen gesteld. De ernst van de schending van de inspanningsverplichting maakt in dit geval dan ook dat het belang van eiser prevaleert boven het belang van de minister bij een bewaring gericht op het kunnen overdragen van eiser. Als gevolg daarvan is de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het begin onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 5 oktober 2026. Wat eiser verder heeft aangevoerd tegen de bestreden maatregel hoeft daarom niet te worden besproken.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.360,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van

5 oktober 2026;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.360,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L.C.M. Ficq

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand