RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.50291 (beroep) en NL26.50292 (verzoek om een voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
(gemachtigde: mr. A.A. van Vliet).
1. Eiser komt uit Algerije. Hij heeft om asiel gevraagd. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen.
Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert aan dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De omstandigheden in Algerije zijn dusdanig slecht dat eiser daar geen zicht heeft op een menswaardig bestaan.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 juli 2026 asiel aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 augustus 2026 kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet naar Algerije voordat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij uit Algerije is vertrokken om verschillende redenen. De voornaamste reden is dat hij problemen had met de overheid en de politie. Hij kan niet terug naar Algerije, want dan moet hij in detentie voor kleine vergrijpen, zoals drugsgebruik en rijden zonder rijbewijs. Verder is het leven voor eiser in Algerije zwaarder dan in Nederland en was het moeilijk om in Algerije te kunnen voorzien in levensonderhoud. De toekomstmogelijkheden zijn beperkt; daarom wil eiser zijn toekomst in Nederland doorbrengen.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser één relevant asielmotief, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst.
Verweerder vindt het asielmotief geloofwaardig. Hij stelt zich echter op het standpunt dat dit niet leidt tot vluchtelingschap of dat eiser hierdoor in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Verweerder betrekt daarbij dat normale strafvervolging vanwege een commuun delict niet onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag valt. Een veroordeling voor drugsgebruik of rijden zonder rijbewijs heeft ook geen raakvlak met ernstige schade.
Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. Hij legt daarbij aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar op.
Loopt eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM?
5. Eiser voert aan dat hij bij gedwongen terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling zoals is verboden in artikel 3 van het EVRM. Daartoe noemt hij onder meer dat de woon- en leefomstandigheden in Algerije niet goed zijn, er mensenrechten worden geschonden en het leven in Algerije door eiser als vernederend wordt ervaren. Eiser kan in Algerije niet in zijn elementaire en primaire levensbehoeften voorzien. Er is geen zicht op een menswaardig bestaan. De educatie is ondermaats, het vinden van werk is lastig en uitbuiting vindt plaats. Ook is er corruptie, bieden de Algerijnse overheidsinstanties weinig bescherming, voldoet de rechtspraak niet aan de vereisten zoals die in een democratie van de rechtspraak mogen worden verlangd en liggen de detentiefaciliteiten en -omstandigheden in Algerije onder de minimale internationaal geldende vereisten. Tot slot komt Algerije zijn verdragsverplichtingen niet na.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft gesteld dat Algerije een veilig land van herkomst is. Het standpunt van eiser dat Algerije niet als zodanig kan worden aangemerkt, behoeft daarom geen behandeling. In geschil is of de omstandigheden in Algerije zodanig slecht zijn dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
In artikel 3 van het EVRM is opgenomen dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt dat de algemene situatie in Algerije tot problemen kan leiden, zeker wanneer iemand niet beschikt over voldoende financiële middelen of een goed netwerk. Dit betekent echter nog niet dat de drempel van artikel 3 van het EVRM wordt gehaald. Het is aan eiser om aan te tonen dat er substantiële gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. Verweerder heeft daarbij ter zitting gewezen op het feit dat eiser zijn in beroep ingenomen stellingen niet heeft onderbouwd met landeninformatie en gewezen op jurisprudentie waarin ook is geoordeeld dat er geen sprake is een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije vanwege de algemene situatie daar. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Eiser heeft dus ook niet onderbouwd dat eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM zal worden behandeld enkel en alleen omdat hij bij terugkeer waarschijnlijk voor een substantiële periode in detentie zal worden geplaatst. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
7. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.
8. Eiser krijgt in beide zaken geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.