RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57650
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft in dit verband, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden en de daarop gegeven toelichtingen niet heeft betwist. Hoewel de rechtbank, in het kader van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, vaststelt dat de motivering bij sommige gronden niet op alle onderdelen voor juist kan worden gehouden, is zij van oordeel dat de gronden b, p en r voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van bewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn asielaanvraag pas heeft ingediend nadat hij in bewaring was gesteld. Eiser was voor zijn inbewaringstelling namelijk al van plan om met de hulp van een contactpersoon bij de hulporganisatie STIL een asielaanvraag in te dienen. Bovendien was het verweerder zelf die tijdens het gehoor aan eiser heeft gevraagd of hij een asielaanvraag wilde indienen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of in samenwerking met STIL niet een lichter middel kon worden opgelegd. Eiser wijst er ook op dat hij zich meewerkend opstelt omdat hij zijn identiteit niet verhult. Verder voert eiser aan dat verweerder zijn medische en psychische problemen onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken.
4. Gelet op de onder 2. genoemde dragende gronden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het betoog van eiser dat verweerder met STIL had moeten kijken of geen lichter middel kon worden volstaan slaagt niet, nu sprake is van een onttrekkingsrisico. Dat eiser reeds voor zijn inbewaringstelling voornemens was om een opvolgende asielaanvraag in te dienen, maakt niet dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen lichter middel kon worden toegepast. Vast staat dat eiser pas tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat hij een opvolgende asielaanvraag wilde indienen. Verweerder heeft deze omstandigheid dan ook terecht betrokken bij zijn beslissing inzake het lichter middel. Dat verweerder, nadat eiser had verklaard over zijn situatie bij terugkeer naar Oeganda, aan eiser heeft gevraagd of hij een asielaanvraag in wil dienen, maakt het voorgaande niet anders. Ook het betoog van eiser dat hij zich meewerkend opstelt slaagt niet. Eiser heeft weliswaar zijn identiteit niet verhuld, maar heeft zelf geen stappen gezet om Nederland te verlaten en heeft zich niet beschikbaar gehouden voor verwijdering. Verder overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat eiser is bevraagd over zijn medische situatie. De rechtbank stelt vast dat de door eiser genoemde medische en psychische problemen bij de beoordeling inzake het lichter middel zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarin terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft kunnen overwogen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het detentiecentrum aanwezig zijn. Deze medische voorzieningen moeten vergelijkbaar worden geacht met de medische zorg in de vrije maatschappij (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16). De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
6. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.