RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57051
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Op grond van artikel 5.6, eerste lid, van het Vb kan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, indien opgelegd aan een vreemdeling die onder de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Ondertekening proces-verbaal toegangsweigering
2. Eiser heeft zich ter zitting allereerst op het standpunt gesteld dat er onduidelijkheid bestaat voor wat betreft (de ondertekening van) de toegangsweigering.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van zijn aankomst in Nederland op 22 september 2026 in het bezit was van een visum voor Italië, waarmee eiser wenste door te reizen naar Italië. Eiser is vervolgens de toegang geweigerd, omdat hij niet beschikte over passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf bleken. Eiser kon geen concrete inhoudelijke informatie geven over zijn – naar aanvankelijk gesteld – toeristisch bezoek aan Italië. Voor zover eiser heeft betoogd dat het proces-verbaal inzake deze toegangsweigering niet (op tijd) is ondertekend, ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan in het kader van deze procedure gevolgen te verbinden.
De grondslag van de maatregel
3. Op 24 september 2026 heeft eiser alsnog een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft vervolgens het besluit over de toegang van eiser tot Nederland uitgesteld op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw en hem een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
In deze maatregel staat dat er aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat eiser in het bezit is van een geldig Schengenvisum afgegeven door Italië. Verder staat in de maatregel dat de openbare orde deze vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft verweerder als gronden voor dit onderduikrisico vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt ten aanzien van grond a dat hij in principe met de juiste documenten het Schengengebied is binnengekomen. Voor asielzoekers is er immers geen andere manier om Nederland legaal in te reizen. Verder is de motivering van verweerder niet toegespitst op eiser, want grond a geldt voor iedereen die bij Schiphol aankomt en asiel aanvraagt. Ten aanzien van grond d stelt eiser dat onduidelijk is waarom deze is aangevinkt. Er wordt geen uitleg gegeven en het is onduidelijk wat er wordt bedoeld. Er zou sprake zijn van een onjuist visum en daarmee zou eiser onjuiste informatie hebben verstrekt. Dit heeft verweerder ook bij grond a aangevoerd. De motivering is daarom volgens eiser ten onrechte dubbel aan hem tegengeworpen.
De rechtbank overweegt dat gronden a en d feitelijk juist zijn. Uit de stukken blijkt dat eiser heeft gepoogd Nederland binnen te komen met een ander doel dan waarvoor het door Italië verstrekte visum is afgegeven, zodat hij niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd en hij zich hiermee voorts aan het toezicht heeft onttrokken. Verder geldt dat eiser daarmee evenzo onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn reis naar Nederland en hij het afgegeven visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is afgegeven, zoals door verweerder gemotiveerd is toegelicht onder grond d. Beide gronden kunnen daarmee aan eiser worden tegengeworpen; ze zijn immers (ieder voor zich) feitelijk juist. Nu op grond van artikel 5.6 van het Vb voor het aannemen van een onderduikrisico is vereist dat ten minste twee van de gronden zich voordoen, en daarvan in dit geval sprake is, behoeven de gronden onder r en s geen verdere bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.