RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35289
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. C. Wezenbeek).
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eiseres ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ buiten behandeling gelaten.
Bij besluit van 12 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] (vader van eiseres; hierna: referent), [persoon B] (moeder van eiseres), [persoon C] (zus van eiseres), de gemachtigde van eiseres, [persoon D] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding 1. Eiseres is geboren op 24 januari 2002 en heeft de Turkse nationaliteit. Referent is de vader van eiseres. Referent is geboren op [geboortedatum] 1974, heeft eveneens de Turkse nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als kennismigrant’, geldig tot 10 oktober 2028. Op 20 september 2023 heeft referent ten behoeve van eiseres een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM’ ingediend.
Totstandkoming van het bestreden besluit 2.1. Bij het primaire besluit van 13 december 2023 heeft verweerder de mvv-aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de verschuldigde leges niet waren betaald.
Op 9 januari 2024 zijn de leges namens eiseres alsnog betaald.
Op 10 juli 2024 heeft er een hoorzitting met referent plaatsgevonden.
In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat de mvv-aanvraag bij het primaire besluit terecht buiten behandeling was gelaten, maar heeft verweerder desondanks besloten de mvv-aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen. Volgens verweerder komt eiseres niet in aanmerking voor de gevraagde mvv. Hoewel er beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt aangenomen tussen eiseres en referent (en haar moeder, broertje en zusje), valt de belangenafweging tussen het belang van eiseres en referent bij het uitoefenen van hun familieleven in Nederland en het belang van de Nederlandse Staat bij het niet toestaan van verblijf aan eiseres, in het nadeel van eiseres en referent uit. Van strijd met Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit 1/80) is volgens verweerder geen sprake.
De beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het Unierecht in het algemeen en het Turks Associatierecht in het bijzonder. Eiseres komt ten laste van haar ouders. Turkse burgers moeten conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) zo veel mogelijk als Unieburgers worden behandeld. De situatie van eiseres moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2004/38 (hierna: de Verblijfsrichtlijn). Verweerder is hier ten onrechte aan voorbijgegaan.
Daarnaast is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd genomen met artikel 8 van het EVRM.
Het oordeel van de rechtbank
Turks Associatierecht en Unierecht
Eiseres heeft bij haar aanvraag een beroep gedaan op de standstill-bepaling van Besluit 1/80. Daarom heeft verweerder in het bestreden besluit getoetst aan artikel 13 van Besluit 1/80. In deze bepaling staat dat de lidstaten en Turkije geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.
Besluit 1/80 kent geen nadere omschrijving van het begrip ‘gezinslid’. Het Hof heeft, bijvoorbeeld in het arrest van 30 september 2004, inzake Ayaz, ECLI:EU:C:2004:570, geoordeeld dat het begrip ‘gezinslid’ in Besluit 1/80 uniform moet worden uitgelegd en heeft voor de uitleg daarvan aansluiting gezocht bij het toenmalige artikel 10 van Verordening 1612/68, die in 2006 is vervangen door artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn. Uit artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat onder ‘familielid’ wordt verstaan de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.
Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van het indienen van de mvv-aanvraag ouder was dan 21 jaar. Hoewel verweerder niet heeft beoordeeld of eiseres ten laste is van referent, leidt dat niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Artikel 13 van Besluit 1/80 genereert namelijk op zichzelf geen verblijfsrecht, zodat een beroep op deze bepaling eiseres hoe dan ook niet kan baten.
De rechtbank constateert dat eiseres bij haar aanvraag of in de bezwaarfase geen beroep heeft gedaan op artikel 7 van Besluit 1/80. Voor zover zij zich in de beroepsfase alsnog op deze bepaling beroept, slaagt dit beroep niet, reeds nu zij geen toestemming heeft gekregen om zich bij referent te voegen. Daarover gaat déze procedure nu juist.
Voor zover eiseres betoogt dat zij op grond van de Verblijfsrichtlijn moet worden toegelaten tot Nederland omdat zij ten laste is van referent, slaagt dit betoog evenmin, reeds nu de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing is op Turkse onderdanen en hun gezinsleden.
Uit het voorgaande volgt dat wat eiseres heeft aangevoerd over strijdigheid van het bestreden besluit met het Turks Associatierecht en/of het Unierecht, geen doel treft.
Artikel 8 van het EVRM
De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit – dat zestien pagina’s beslaat – uitgebreid heeft gemotiveerd waarom het niet toestaan van verblijf aan eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Namens eiseres is hiertegen in beroep – in het schrijven van 2 oktober 2024 – enkel aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Niet is toegelicht op welk punt, laat staan waarom, de uitgebreide belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het bestreden besluit niet zou deugen. Naar het oordeel van deze rechtbank is deze beroepsgrond zodanig algemeen en summier gesteld dat die niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Op 26 maart 2026, om 22.36 uur, is er nog een schriftelijke toelichting, geschreven door referent zelf, in het digitale dossier geüpload. Dit was echter zodanig laat dat de rechtbank hiervan voorafgaand aan de zitting, die de volgende dag (27 maart 2026) om 9.00 uur aanving, geen kennis heeft kunnen nemen. Hetzelfde gold voor de gemachtigde van verweerder, die ter zitting ook te kennen heeft gegeven dat zij daardoor niet adequaat op de schriftelijke toelichting van referent kan reageren. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat die schriftelijke toelichting vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat betekent dat de rechtbank niet ingaat op wat er in die schriftelijke toelichting staat.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat geen van de beroepsgronden doel treft,
is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.