5. ECLI:EU:C:2023:934.
Artikel 17, eerste lid, van de Dvo
6 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
7 Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Anders dan de betrokkenen in het arrest Tarakhel, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar twee kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Dat eiseres een alleenstaande moeder is met twee minderjarige kinderen is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Ook in het geval eiseres en haar twee minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar zouden moeten worden aangemerkt, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Duitsland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen. De minister heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat het in beginsel in het belang is van de minderjarige kinderen om bij hun ouder te blijven en dat zij dus samen met eiseres naar Duitsland worden overgedragen. Niet aannemelijk is gemaakt dat een overdracht aan Duitsland een negatieve invloed zal hebben op het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen. De minister stelt terecht dat eiseres in het aanmeldgehoor, de zienswijze of de beroepsgronden niet nader heeft toegelicht waarom overdracht naar Duitsland schadelijk is voor haar kinderen. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe verwijst eiseres naar hetgeen hierboven is aangevoerd.
13. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over structurele tekortkomingen in Duitsland ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op recente rechtspraak van de Afdeling10. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. ECLI:NL:RVS:2015:3806.
9 ECLI:NL:RVS:2020:223.
10 ECLI:NL:RVS:2025:717.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.