RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41004
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 21 november 2024 beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoekster.
Op 27 augustus 2025 heeft verzoekster opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Op 15 januari 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Op 22 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 21 november 2024 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoekster. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2014 dient verweerder binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het vernietigende besluit te beslissen, indien geen termijn voor het nemen van een nieuw besluit is ingesteld. Die termijn vangt aan op de dag na verzending van de uitspraak. Op grond van artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedroeg die termijn negentien weken. Verweerder diende daarom uiterlijk op 3 oktober 2025 een besluit te nemen.
3. Verzoekster heeft verweerder op 4 augustus 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Ook het op 27 augustus 2025 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, was prematuur. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.