RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11003
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar)
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft daarom een beroepschrift ingediend. Hij heeft ook een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert enkele beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 januari 2022 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is als Dublin-procedure in behandeling genomen omdat eiser eerder in Italië en daarna in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Omdat de overdrachtstermijn is verstreken is eiser opgenomen in de nationale asielprocedure. Eiser heeft vervolgens op 25 november 2022 verklaard dat hij een liefdesrelatie heeft en twee kinderen heeft gekregen. Eiser zegt niet terug te willen naar Nigeria en te vrezen dat zijn kinderen daar worden gedood.
Op 25 augustus 2023 is eisers aanvraag in Nederland afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser tegen dit besluit is door de rechtbank op 7 oktober 2024 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft op 13 november 2024 het hoger beroep ongegrond verklaard.
Op 17 oktober 2024 heeft eiser een artikel 64-aanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 10 december 2024 buiten behandeling gesteld.
Op 22 oktober 2025 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening, op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij en zijn vriendin in 2024 uit elkaar zijn gegaan omdat hij homoseksueel is. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij organisaties heeft ontdekt zoals de ‘COC’ en ‘Rainbow Den Haag’, die hem helpen en dat hij in Nederland een relatie heeft met een man. Volgens eiser had hij in Nigeria op zijn veertiende ook al gevoelens voor een jongen, maar heeft hij toen problemen gekregen nadat hij was betrapt toen hij fysiek met hem werd. Om die reden heeft hij naar eigen zeggen nooit meer toe durven geven aan zijn gevoelens voor mannen. Eiser stelt dat hij daarom niet terug kan naar Nigeria. In Nigeria is het zijn van homoseksueel strafbaar.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst en
2. seksuele gerichtheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar zijn seksuele gerichtheid niet. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De identiteit, nationaliteit en herkomst maken niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Nigeria. Omdat het een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat hij met zijn verklaringen zijn geaardheid wel aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast wijst hij er op dat uit verschillende verklaringen van derden en foto’s zijn seksuele geaardheid ook blijkt. Eiser en zijn partner zijn daarbij op 28 april 2026 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Eiser kan moeilijk verklaren, maar alle ingediende stukken compenseren volgens hem de eventueel wat mindere verklaringen.
Beoordeling rechtbank
6. De rechtbank overweegt als volgt.
In LHBTI-zaken ligt het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat onverlet dat de minister een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt.
De rechtbank stelt vast dat de minister is uitgegaan van de volgende tijdlijn, welke tijdlijn ook niet is betwist. Eiser is in 2015 uit Nigeria vertrokken en verblijft vanaf 2016 in Europa. Eiser is Nederland in 2022 binnengekomen samen met zijn toenmalige vriendin en haar dochter. In Nederland heeft eiser enkele jaren samengewoond met deze vriendin. Eiser heeft met haar twee zoons gekregen. In 2024 zijn zij uit elkaar gegaan. Vanaf halverwege 2025 woont eiser samen met een man, met wie hij op [datum] een partnerschapsregistratie is aangegaan. Ter onderbouwing van de relatie heeft eiser verschillende foto’s aangeleverd. De rechtbank merkt daarbij op dat de op 16 februari 2026 ingediende foto’s onder de douche en in bed, gelet op de inhoud, niet worden meegenomen in de beoordeling.
De minister heeft de relatie van eiser met een vrouw niet aan eiser tegengeworpen. Wel is aan hem tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over deze relatie. De minister ziet niet in dat eiser zeven jaar na vertrek uit Nigeria een relatie aangaat met een vrouw en kinderen met haar krijgt, enkel om aan zijn land en familie te laten zien dat hij geen gevoelens heeft voor mannen. De minister wijst er in dit kader op dat uit de verklaringen niet duidelijk blijkt dat eiser nog intensief in contact stond met zijn familie en er een zeer ruime tijd zit tussen het vertrek uit Nigeria en de start van deze relatie. Eiser heeft geen argumenten gegeven die aanleiding geven tot het oordeel dat de minister dit niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. De minister heeft verder ook mogen betrekken dat eiser veelvuldig in de gelegenheid is gesteld om te vertellen over deze relatie, waaronder het ontstaan ervan, maar er vaag over blijft.
De rechtbank is verder ook niet duidelijk geworden wat eiser heeft doorgemaakt in de periode nadat hij bij zijn vriendin is weggegaan. Zo heeft hij over de periode van vertrek bij zijn vriendin (ter zitting heeft hij verklaard dat hij er geen datum aan kon plakken, maar dat dit vóór de zomer van 2024 was) tot januari 2025 enkel verklaard dat hij in [woonplaats] verbleef. Waarom eiser niet meer kan verklaren over een dergelijke belangrijke periode in zijn leven, is de rechtbank niet duidelijk geworden.
De minister heeft -op onder meer blz. 6 van het voornemen- deugdelijk gemotiveerd uiteengezet waarom de verklaringen over de vervolgens aangegane relatie met eisers huidige partner onvoldoende diepgaand, persoonlijk en authentiek zijn. Over hoe zijn gevoelens jegens zijn partner zijn ontwikkeld, wat eiser leuk vindt aan hem, hoe hij invulling geeft aan zijn relatie en wat hun gezamenlijke toekomstplannen zijn blijft eiser oppervlakkig. De minister heeft in het bestreden besluit verder deugdelijk gemotiveerd uiteengezet waarom de overgelegde stukken, zoals verklaringen van derden, een overzicht van een gezamenlijke bankrekening en foto’s, onvoldoende positief gewicht in de schaal leggen om de niet overtuigende verklaringen van eiser te compenseren.
De minister betrekt bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de vreemdeling die stelt homoseksueel te zijn niet alleen hetgeen is overgelegd om een liefdesrelatie in Nederland te onderbouwen. Het gaat, ook blijkens de laatste WI 2026/24, om meer dan dat. Het gaat om eerdere relaties, contacten in het land van herkomst en discriminatie en repressie in het land van herkomst. Kortom; wat de vreemdeling in het verleden heeft meegemaakt in zijn land van herkomst op basis van zijn seksuele gerichtheid.
De minister heeft in het voornemen van 11 februari 2026 overwogen dat de verklaringen van eiser op dit gebied niet overtuigen. Hiertoe is overwogen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in hoe het voor hem was om op veertienjarige leeftijd gevoelens te krijgen voor zijn beste vriend. Daarbij heeft de minister overwogen dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij en zijn beste vriend niet van elkaar konden afblijven en anderzijds dat hij nooit over zijn gevoelens heeft gesproken met deze vriend. Van eiser wordt verwacht dat hij meer inzicht kan geven in zijn persoonlijke beleving ten aanzien van het ontdekken van de seksuele gerichtheid. Bij besluit van 20 februari 2026 is de aanvraag, onder verwijzing naar dit voornemen, afgewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd uiteengezet waarom eiser niet is gevolgd in zijn verklaringen over de gestelde seksuele geaardheid. De overgelegde stukken over een relatie die eiser in Nederland is aangegaan, kunnen dit niet ondervangen. Deze stukken geven ook geen verklaring voor de onder 6.3. en 6.7. opgenomen argumenten van de minister. Hetgeen eiser heeft ingebracht kan dan ook niet afdoen aan de door de minister getrokken conclusie.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.