RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16036
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries)
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is en het tweede motief niet. Het derde motief wordt niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De identiteit, nationaliteit, etniciteit en herkomst en de algemene veiligheidssituatie in Syrië maken volgens de minister niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De minister gaat er daarbij vanuit dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte wordt gesteld dat de algehele veiligheidssituatie in Syrië niet noopt tot vergunningverlening. Eiser heeft geen gronden aangevoerd die zien op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser richt zich in de gronden op de algemene veiligheidssituatie in Syrië en verwijst naar uitspraken van zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025, 4 februari 2026 en 20 februari 2026 en een uitspraak van zittingsplaats Den Bosch. In deze uitspraken is door zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dat moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Verder betoogt eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, dat de minister niet kan volstaan met verwijzing naar het verouderde ambtsbericht van mei 2025. Eiser doet een beroep op artikel 3 van het EVRM.
Artikel 15 van de Kwalificatieverordening
5. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening kent drie soorten “ernstige schade” die kunnen rechtvaardigen dat subsidiaire bescherming wordt toegekend aan de persoon die een reëel risico op deze schade loopt indien hij wordt teruggezonden naar zijn land van herkomst:
a. a) de doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
In het arrest van 17 februari 2009 heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 15, sub b, van de Kwalificatierichtlijn in wezen overeenstemt met artikel 3 van het EVRM en artikel 15, sub c, van de Kwalificatierichtlijn een bepaling is waarvan de uitlegging autonoom moet geschieden, maar met eerbiediging van de grondrechten zoals deze door het EVRM worden gewaarborgd.
Het Hof van Justitie heeft verder benadrukt dat, ofschoon elk soort ernstige schade een autonome grond voor erkenning van de subsidiaire bescherming vormt, waarvan de voorwaarden ten volle moeten zijn vervuld om deze bescherming te verlenen, dit artikel geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen deze verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade.
De minister maakt bij de beoordeling van artikel 15c beleidsmatig onderscheid in drie gradaties:1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld (voorheen: meest uitzonderlijke situatie);2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld (voorheen: minder uitzonderlijke situatie) en3) relatief lager niveau van willekeurig geweld: (voorheen: geen of onvoldoende uitzonderlijke situatie).
Bij de tweede en deze derde gradatie van willekeurig geweld wordt een beoordeling van de individuele (risicoverhogende) omstandigheden gemaakt.
6. Met betrekking tot het beroep op artikel 15c voor de provincie Aleppo heeft de minister in het verweerschrift uiteengezet waarom ook het meest recente ambtsbericht uit 2026 niet leidt tot een andere gradatie dan in het bestreden besluit is gegeven.
In het ambtsbericht van januari 2026 is onder meer het volgende vermeld:“Op 8 december 2024 wierp een brede gelegenheidscoalitie van gewapende (oppositie-)groepen (…) het regime van president Bashar al-Assad omver door binnen twaalf dagen de grote steden Aleppo (29 november 2024), Hama (5 december 2024) en Homs (7 december 2024) in te nemen.
(…)Volgens UNHCR keerden tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 1.955.879 personen terug naar hun voormalige woongebieden. De meeste terugkeer vond plaats in de provincie Aleppo (…). Volgens UNHCR keerden tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 naar schatting 780.334 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo. Volgens IOM keerden in juli 2025 ruim 25.000 ontheemden terug naar Aleppo.
(…)
Aleppo ligt in het noordwesten van Syrië, tegen de grens met Turkije. (…) IOM schatte het bevolkingsaantal in december 2025 op 5.629.033 personen.
(…).
Het SNHR documenteerde in 2025 minstens 3.666 burgerdoden, onder wie minstens 265 burgerdoden in de provincie Aleppo. (…)
ACLED-gegevens lieten in de verslagperiode in vergelijking met de voorgaande verslagperiode een daling zien van de aantallen geregistreerde geweldsincidenten in Syrië.”
De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee afdoende heeft onderbouwd dat eiser niet afkomstig is uit een gebied waar zich “the most extreme cases of general violence” voordoen en dat dus van eiser verwacht mag worden dat hij individuele omstandigheden aandraagt.
In het bestreden besluit is uiteengezet dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die kunnen worden aangemerkt als risicoverhogende omstandigheid. Daarbij is er op gewezen dat eiser niet met stukken of relevante landeninformatie heeft onderbouwd dat er bij hem individuele omstandigheden spelen die een verhoogd risico geven op willekeurig geweld. De minister heeft zelf wel landeninformatie geraadpleegd over muzikale bezigheden, maar heeft daarin gelezen dat de overgangsregering geen wetten heeft uitgevaardigd die muziek en/of werkzaamheden binnen de muziek beperken.
De rechtbank ziet, gelet op deze informatie, afgezet tegen hetgeen door eiser is aangedragen, geen grond voor het oordeel dat de minister niet deugdelijk gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade zoals is weergegeven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Voor zover eiser stelt dat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 december 2025.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat eiser met hetgeen hij naar voren heeft gebracht aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.