RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12997
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder)
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het inreisverbod van tien jaar dat aan hem is opgelegd door de minister op 13 februari 2026.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 13 februari 2026 heeft de minister een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaren aan eiser opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via telefoonverbinding, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan het bestreden besluit is het hierna volgende voorafgegaan.
Aan eiser is in 2021 in Roemenië een verblijfsvergunning afgegeven. Begin 2024 is door de Roemeense autoriteiten bericht dat deze vergunning is ingetrokken.
Op 28 april 2024 is in Berkel en Rodenrijs een schuur afgebrand. Hierbij is een lichaam en een drugslab aangetroffen. Eiser is in de directe omgeving van de brandende schuur aangehouden.
Op 6 november 2024 is eiser gehoord over het voornemen een terugkeerbesluit uit te vaardigen en hem een zwaar inreisverbod op te leggen. Eiser heeft vervolgens naar voren gebracht dat hij spijt heeft van het strafbare feit en uiteindelijk terug zal gaan naar Marokko.
Bij vonnis van 27 februari 2025 is eiser door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk in verband met de brand en de werkzaamheden in het drugslab.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is op dit moment in Marokko. Eiser meent dat de minister hem ten onrechte heeft aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde in de zin van het Unierecht. Er wordt volgens eiser met name gewezen op het feit dat hij een brandende schuur heeft verlaten zonder hulp te bieden of in te schakelen voor het slachtoffer dat nog binnen was. Dit handelen betrof volgens eiser handelen binnen een acute noodsituatie waarin eiser zelf ook in gevaar was, daarom mag dit hem niet zodanig worden tegengeworpen. Daarbij heeft de strafrechter zes maanden van zijn gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd, dit duidt op ruimte voor gedragssturing en resocialisatie. Ook is volgens eiser onvoldoende meegewogen dat hij zijn detentie zonder incidenten heeft doorlopen en hij first offender is. Daarnaast is in het kader van artikel 8 EVRM volgens eiser geen rekening gehouden met een broer in Spanje waar hij nu niet naartoe kan. Tot slot is de duur van het inreisverbod volgens eiser te lang. Dat de maximale duur tien jaar is, betekent volgens eiser niet dat dit ook opgelegd moet worden.
Beoordeling
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, Nederland onmiddellijk moet verlaten. Op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, tenzij de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) bedraagt de duur van het inreisverbod als de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid ten hoogste tien jaren (zwaar inreisverbod). Uit artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb volgt dat de ernstige bedreiging onder meer kan blijken uit een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict.
De minister moet bij het opleggen van een zwaar inreisverbod beoordelen of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en daarbij alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet de minister bij zijn beoordeling in acht nemen dat vorenbedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Het resultaat van vorenbedoeld onderzoek moet blijken uit de motivering van een besluit.
De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij is niet alleen gewezen op de zwaarte van de opgelegde gevangenisstraf, maar ook betrokken dat drugs verslavend zijn, een risico voor de volksgezondheid vormen en aanzienlijke maatschappelijke overlast met zich meebrengen. Eiser is daarbij aangerekend dat de vervaardiging van synthetische drugs bijzonder gevaarlijk is vanwege het risico op brand, explosies en het vrijkomen van giftige stoffen en dat dit gevaar zich ook heeft verwezenlijkt met zeer ernstige gevolgen. De minister overweegt dat het normbesef van eiser tekortschiet en dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden is gekomen zodanig zijn verbeterd dat er niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Aan het ontbreken van andere criminele antecedenten, een deels voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (6 maanden) en het gedrag in detentie heeft de minister niet ten onrechte beperkt gewicht toegekend.
Eiser is op 6 november 2024 in het kader van artikel 8 van het EVRM gevraagd naar banden met Nederland en de EU. De minister heeft zich in het bestreden besluit, naar aanleiding van het gegeven antwoord, op het standpunt gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat eiser geen beschermenswaardig familieleven in Nederland heeft. Naar aanleiding van het in beroep gevoerde betoog heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er evenmin beschermenswaardig familieleven is met de broer in Spanje en dat van strijd met artikel 8 EVRM geen sprake is. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij in 2021 met zijn broer naar Roemenië is gegaan, dat zijn broer inmiddels werk heeft in Spanje en dat ze elkaar nog wel (2,5 maand) in Marokko hebben gezien, maar hij altijd in zijn buurt wil zijn. Eiser heeft verder een brief van zijn broer overgelegd, waarin staat dat hij het belangrijk vindt dat zijn broer bij hem in Spanje is. De rechtbank overweegt dat deze informatie onvoldoende is voor het oordeel dat de conclusie, dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM, niet kan worden getrokken.
Tot slot is in het bestreden besluit op inzichtelijke wijze uitgelegd waarom de duur van tien jaar noodzakelijk wordt geacht. In het verweerschrift is hier naar verwezen.
6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in het besluit en nadien ook in het verweerschrift kenbaar alle omstandigheden bij de beoordeling van het zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het besluit daartoe is genomen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.