RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58440
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De partijen hebben ingesteld van de behandeling buiten zitting. Op 6 oktober 2026 heeft de gemachtigde van eiser gronden van beroep ingediend. Op 7 oktober 2026 heeft verweerder een verweerschrift overgelegd. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 8 oktober 2026.
Overwegingen
1. Eiser is op 30 september 2026 aangekomen op Schiphol, waar hij kenbaar heeft gemaakt een asielaanvraag in te willen dienen. Vanwege de drukte op de luchthaven is aan eiser een zogeheten “loungemaatregel”, opgelegd voor de nacht van 30 september 2026. De loungemaatregel is een vrijheidsbeperkende maatregel, opgelegd op grond van artikel 4.6 van het Vb.
2. Op 1 oktober 2026 om 07.57 uur is de toegangsweigering uitgesteld en de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, aangezien er geen beroep open staat tegen het uitstellen van de toegangsweigering.
3. Conform artikel 5.5, tweede lid van het Vb is de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid van de Vw, in het kader van de bewaking van de buitengrens van het Schengengebied. Deze grondslag voor vrijheidsontneming eist dat een vreemdeling een verzoek heeft gedaan tot internationale bescherming, terwijl de vreemdeling niet voldoet aan de vereisten, beschreven in artikel 6, eerste lid, a tot en met e, van de Schengengrenscode, om het grondgebied te betreden.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 oktober 2026 een verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Daarnaast beschikte eiser niet over een geldig visum of ander reisdocument, zodat hij niet voldeed aan de eisen gesteld in artikel 6, eerste lid van de Schengengrenscode.
5. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het op leggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dit is ook in overeenstemming met artikel 6 van de Screeningsverordening en artikel 43 van de Procedureverordening, waarin is bepaald dat een vreemdeling gedurende de screeningsfase en de grensprocedure geen toegang mag krijgen tot het grondgebied van de lidstaten. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het grensbewakingsbelang naar zijn aard rechtvaardigt dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd.
6. Zoals is overwogen in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. De beoordeling of een lichter middel had moeten volstaan, strekt niet verder dan de beoordeling of de detentie onevenredig bezwarend is.
7. Uit de maatregel blijkt dat verweerder deze beoordeling heeft verricht. Voorafgaand aan het opleggen van maatregel is eiser gehoord. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser ruimer bevraagd had moeten worden tijdens het gehoor. Het gebruik van standaardvragen kan volgens eiser een onvoldoende genuanceerd beeld schetsen op persoonlijke omstandigheden van eiser, welke tot een lichter middel zouden kunnen leiden. Daarbij geeft eiser aan dat hij graag verblijft in een Moskee te [plaats] en zich ook vanuit die locatie kan melden in afwachting van zijn asielprocedure.
8. De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van standaardvragen tijdens het gehoor eiser niet beperkt in de vrijheid van zijn antwoorden. Aan eiser is medegedeeld dat zijn asielaanvraag zal worden behandeld in de asielgrensprocedure, waardoor hij zal verblijven in een gesloten detentiecentrum. Eiser heeft hierover verklaard hier geen problemen mee te hebben en de procedure af te wachten. Het verblijf in een Moskee buiten het detentiecentrum zou eiser toegang geven tot het grondgebied. Daarmee wordt het grensbewakingsbelang geschaad. Het onderzoek dat verweerder heeft verricht naar de feitelijke omstandigheden, om vast te stellen of de maatregel onevenredig bezwarend is, heeft eiser voldoende mogelijkheden geboden om zijn bezwaren tegen de vrijheidsbenemingen zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is.
9. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het berop ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan op 9 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.