RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser, en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/9334
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres,
gezamenlijk eisers,
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
(gemachtigde: mr. E. van der Meulen).
1. Eisers hebben visa voor kort verblijf aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen, omdat er volgens verweerder redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Turkije. Bovendien acht verweerder (hierdoor) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren aan dat zij voldoende sociale en economische binding hebben met Turkije waardoor tijdige terugkeer volgens hen gewaarborgd is. Zij voeren bovendien aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder (in redelijkheid) tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluiten van 23 oktober 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eisers hebben een aanvullend beroepschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1958 en eiseres op [geboortedatum 2] 1960. Eisers hebben de Turkse nationaliteit. Zij hebben op 26 september 2024 visa voor kort verblijf aangevraagd om hun dochter en haar echtgenoot, [naam referent] (de referent), in Nederland te bezoeken.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii en onder b) van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder heeft redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa. Er is volgens verweerder namelijk niet gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Turkije dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Bovendien acht verweerder (hierdoor) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat twee weigeringsgronden zich voordoen slechts terughoudend kan toetsen.
Heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eisers om tijdig terug te keren?
5. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om tijdig terug te keren naar Turkije. Daardoor heeft verweerder ook ten onrechte geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Eisers hebben wel degelijk een zodanige sociale en economische binding met Turkije dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Zij hebben namelijk familie (waaronder kinderen en een kleinkind) en onroerend goed in Turkije. Eiser heeft in Turkije inkomsten uit werk en pensioen. Bovendien zorgt eiseres in Turkije voor haar (hulpbehoevende) moeder. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Verder voeren eisers aan dat de referent zich garant heeft gesteld, dat hun dochter schriftelijk heeft verklaard dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Turkije en dat zij (daarom ook) retourtickets hebben gekocht.
Met inachtneming van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers voldoende sociale en economische binding hebben met Turkije en dat daarom getwijfeld wordt aan het voornemen van eisers om tijdig terug te keren. Daardoor heeft verweerder ook het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond mogen achten.
Ten aanzien van de sociale binding overweegt de rechtbank dat verweerder van belang heeft kunnen achten dat de kinderen van eisers die in Turkije wonen meerderjarig zijn, zodat er ten aanzien van hen geen zorgplicht meer bestaat. Verweerder heeft daarbij tevens van belang kunnen achten dat eisers ook kinderen hebben die in Nederland en Duitsland wonen, waardoor eisers ook sociale binding hebben met deze landen en hun sociale binding met Turkije daarom minder zwaar weegt. Dat eisers sinds januari 2025 een kleinkind hebben in Turkije en hun schoondochter willen helpen met de opvoeding, heeft verweerder hierbij niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Verweerder heeft hierbij namelijk kunnen betrekken dat niet is gebleken van een bijzondere zorgplicht of verantwoordelijkheid richting deze familieleden. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de stelling dat eiseres voor haar (hulpbehoevende) moeder zorgt onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting nog een stuk (in het Turks) overgelegd waaruit zou blijken dat de moeder van eiseres is geopereerd aan haar dijbeen. Hoewel verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat dit in strijd is met de goede procesorde, bleek verweerder ter zitting adequaat in staat om inhoudelijk te reageren. De rechtbank zal dit stuk daarom meenemen in de beoordeling van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de stelling dat eiseres voor haar (hulpbehoevende) moeder zorgt nog altijd onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden. Voor zover uit het ter zitting overgelegde stuk (inderdaad) blijkt dat de moeder van eiseres is geopereerd aan haar dijbeen, blijkt daaruit namelijk nog steeds niet dat zij daardoor hulpbehoevend is en evenmin dat eiseres zorg voor haar draagt.
Ten aanzien van de economische binding overweegt de rechtbank dat verweerder de gestelde inkomsten uit het werk van eiser onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden. Verweerder heeft het uittreksel uit het handelsregister en de informatie uit het belastingdienstregister hiertoe onvoldoende kunnen achten, nu hieruit niet blijkt van reële bedrijfsactiviteiten. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat uit de overgelegde rekeningafschriften onvoldoende blijkt van substantieel en regelmatig inkomen uit werk. Hieruit blijkt namelijk slechts van een paar zakelijke transacties. De stelling van eisers dat niet alle zakelijke transacties via de bank lopen en dat er ook contante inkomsten kunnen zijn kan hierbij niet tot een ander oordeel leiden, omdat het op grond van artikel 14 van de Visumcode aan eisers is om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij eventuele contante inkomsten niet met documenten of andere informatie hebben kunnen onderbouwen. Verweerder heeft, wat betreft de gestelde inkomsten uit pensioen, van belang mogen achten dat niet is gebleken dat de (tijdige) aanwezigheid van eisers in Turkije vereist is om dit pensioen te blijven ontvangen. Hierdoor heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ook niet is gebleken dat dit pensioen eisers aan Turkije bindt. Dat eisers in Turkije een woning bezitten, heeft verweerder tot slot niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Verweerder heeft hierbij namelijk kunnen betrekken dat het eigendom van een woning in Turkije geen wezenlijke economische binding aantoont, nu een dergelijke woning (op afstand) kan worden beheerd, verhuurd of verkocht.
De omstandigheden dat de referent zich garant heeft gesteld, dat de dochter van eisers schriftelijk heeft verklaard dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Turkije en dat er (daarom ook) retourtickets zijn gekocht hebben verweerder – in het licht van wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de sociale en economische binding – ook niet tot een andere conclusie hoeven leiden.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eisers om tijdig terug te keren. Verweerder heeft hierdoor ook in redelijkheid het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond kunnen achten.
De beroepsgrond slaagt dus niet.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
6. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij hebben namelijk twee besluiten ontvangen van dezelfde datum; een besluit met een op hun situatie toegespitste motivering maar ook een (eveneens afwijzend) besluit met allerlei algemene ‘bouwstenen’ die niet op hun situatie zijn toegespitst. Daar komt bij dat in het bestreden besluit Pakistan wordt genoemd als land van herkomst in plaats van Turkije. Het voorgaande toont volgens eisers aan dat hun aanvraag is beoordeeld op basis van gestandaardiseerde concepten zonder zorgvuldige afweging van hun persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank overweegt dat voornoemd handelen van verweerder weliswaar als slordig kan worden geclassificeerd, maar dat dit niet met zich brengt dat het bezwaar van eisers is beoordeeld op basis van gestandaardiseerde concepten zonder zorgvuldige afweging van hun persoonlijke omstandigheden. Het bestreden besluit bevat immers, zoals blijkt uit het voorgaande, een zorgvuldige, individuele afweging. Dat dit besluit één kennelijke verschrijving bevat en kennelijk berust op een model waarin wordt gewerkt met ‘bouwstenen’ doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Had verweerder eisers moeten horen in bezwaar?
7. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eisers niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Dat eisers in bezwaar niet begrepen wat verweerder precies van hen verlangde, kan de rechtbank niet volgen, gelet op de inhoud van de primaire besluiten. Daarin zijn eisers er expliciet op gewezen dat volgens verweerder niet aannemelijk was gemaakt dat zij beschikten over een regelmatig en substantieel inkomen in Turkije. Nu eisers de gestelde inkomsten uit werk in bezwaar niet nader hebben onderbouwd, heeft verweerder van horen kunnen afzien. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat het niet (primair) de taak van verweerder is om eisers uit te leggen wat voor stukken zij ter onderbouwing in zouden kunnen dienen. Eisers hebben hierin namelijk een eigen verantwoordelijkheid.
Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk en (ook) geen visum. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: