RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Sojo).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50644
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het besluit van 9 oktober 2025 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, mr. M. Terpstra als waarnemer van mr. Oliana, D.A.H. Ahmed als tolk en mr. Sojo.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser?
Wat vindt de rechtbank?
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is een Koerdische Turk. Hij is van 15 juli 2016 tot 15 augustus 2017 lid geweest van de DBP, dat is een Koerdische partij, een regionale aftakking van de HDP (thans: DEM). Daarna heeft
eiser tot 2021 activiteiten verricht voor de HDP. De familie van eiser staat ook bekend als ondersteuner van deze partij. In de periode maart/april 2021 zijn er tweemaal mannen van de autoriteiten bij de woning van eiser geweest, die wilden dat hij informant zou worden. Eiser heeft dit geweigerd. Om van de problemen af te zijn, is eiser in juni 2021 naar Ankara vertrokken. Toen eiser enkele dagen daarna een telefoontje van zijn vader kreeg dat de mannen zich weer hadden gemeld, besloot hij dat hij Turkije zou verlaten. Nadat eiser vergeefs had geprobeerd om een visum voor Polen of Duitsland te verkrijgen, heeft hij uiteindelijk in juli 2023 Turkije verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Nationaliteit, identiteit en herkomst.
Politieke overtuiging en daaruit voortvloeiende problemen.
Discriminatie vanwege Koerdische etniciteit.
5. De minister vindt bovengenoemde asielmotieven geloofwaardig, maar acht de vrees van eiser om bij terugkeer problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege zijn weigering als informant te dienen, niet aannemelijk. De minister neemt daarbij in aanmerking dat eiser als (voormalig) lid en activist van de DBP/HDP valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Volgens de minister heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten en komt daarom niet in aanmerking voor de gevraagde asielvergunning. Ook de overige asielmotieven zijn onvoldoende om voor een asielvergunning in aanmerking te komen.
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten in verband met zijn weigering als informant te dienen. Dat de autoriteiten eerder geen consequenties hebben verbonden aan zijn weigeringen, maakt niet dat dit bij terugkeer niet alsnog zal gebeuren. De Turkse autoriteiten voeren sterke repressie uit op DEM-leden, zodat hij als lid en activist van de HDP risico loopt op negatieve belangstelling. Eiser wijst in dit verband op landeninformatie en de omstandigheid dat de minister DEM-leden en -activisten (voormalig HDP) heeft aangewezen als risicogroep. Eiser stelt verder dat hij vanwege de betrokkenheid van zijn familie bij de HDP/DEM een verhoogd risico loopt op problemen met de autoriteiten. Ook is de situatie nu anders dan ten tijde van zijn verblijf in Ankara, omdat hij illegaal is uitgereisd en in het buitenland heeft verbleven. Hierom vreest eiser bij terugkeer in Turkije al op de luchthaven te worden opgepakt. Eiser is van mening dat de minister de door hem aangevoerde aspecten onvoldoende in onderlinge samenhang heeft bezien en beoordeeld.
7. De rechtbank stelt eerst vast dat het geschil, zoals ter zitting besproken, beperkt is tot de vraag of eiser al dan niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten en daarom bij terugkeer te vrezen heeft voor problemen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit niet het geval is en acht hierbij het volgende van belang.
8. Partijen zijn het erover eens dat eiser, omdat hij lid was van de DBP en activiteiten heeft verricht voor de HDP, valt onder een risicoprofiel. Dit neemt echter niet weg dat eiser nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk moet maken dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd.
9. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser na zijn weigeringen om informant te worden geen concrete problemen heeft ondervonden van de Turkse autoriteiten. Dit terwijl eiser daarna nog geruime tijd in Ankara heeft verbleven en de autoriteiten daarvan op de hoogte waren. Desondanks hebben zij hem daar niet benaderd. Ook de familieleden van eiser zijn, na het laatste bezoek aan zijn woning net na vertrek van eiser naar Ankara, niet meer door de autoriteiten benaderd. Deze omstandigheden duiden er niet op dat eiser vanwege de (ook toen al) op hem betrekkende factoren, namelijk zijn eerdere lidmaatschap van de DBP en activiteiten voor de HDP, zijn familieleden en zijn weigering om informant te worden, in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De stelling van eiser dat de situatie is veranderd vanwege zijn illegale uitreis en verblijf in het buitenland, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. De minister heeft in dat kader mogen verwijzen naar algemene landeninformatie waaruit blijkt dat voor zover bekend geen detenties zijn voorgekomen na terugkeer,1 een asielzoeker bij terugkeer niet noodzakelijkerwijs problemen hoeft te ondervinden met de Turkse autoriteiten en dat illegaal Turkije verlaten geen strafbaar feit betreft.2 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij desondanks wel problemen bij terugkeer zal ondervinden, bijvoorbeeld omdat er nog een strafrechtelijke procedure loopt. Dat eiser in verband met zijn weigering om informant te worden zou zijn geregistreerd in (computer)systemen, heeft eiser niet onderbouwd en is evenmin uit landeninformatie af te leiden. De minister heeft alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment nog problemen heeft te verwachten van de Turkse autoriteiten.
10. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. Algemeen ambtsbericht Turkije, augustus 2023, blz. 91.
2 Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, blz. 109.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.