RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31507
[eiser] , [eiseres] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer] , eisers,
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben herhaalde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1993, [geboortedatum 2] 1994, [geboortedatum 3] 2014 en [geboortedatum 4] 2020. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 juli 2025 de aanvragen in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep (samen met het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, zaaknummer NL25.31508) op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser] , de gemachtigde van eisers, A. Cavero als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eisers hebben eerder, op 30 maart 2022, asielaanvragen gedaan. Zij hebben aan hun aanvragen ten grondslag gelegd dat zij vrezen voor guerrillabeweging ELN in Colombia. Zij hebben aangiftes gedaan, een overlijdensakte en een bewijs van melding bij slachtofferhulp overgelegd, maar de minister zag daarin geen relatie met de ELN. De minister achtte de verklaringen van eisers tegenstrijdig, en daarmee de problemen met ELN ongeloofwaardig. De asielaanvragen zijn in besluiten van 8 september 2023 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2025 zijn deze besluiten bekrachtigd.
4. Op 20 juni 2025 hebben eisers herhaalde asielaanvragen ingediend. Hierbij hebben zij onder meer een kopie van een aangifte van de moeder van eiseres overgelegd, waaruit zou blijken dat de ELN nog steeds naar hen op zoek is. De minister heeft deze aanvragen bij besluit van 7 juli 2025 buiten behandeling gesteld.
Het bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag onvolledig is omdat het model aanvraagformulier M35-O niet volledig en niet duidelijk is ingevuld. Het origineel van de aangifte en een vertaling daarvan in het Nederlands ontbreken. Eisers hebben de ontbrekende informatie niet aangevuld en ook geen verschoonbare reden opgegeven voor het niet tijdig aanvullen van de ontbrekende informatie. Eisers hebben op het voornemen van 27 juni 2025, waarin de minister om nadere stukken heeft gevraagd, geen zienswijze opgestuurd zodat de minister geen aanleiding heeft gezien om het in het voornemen ingenomen standpunt te wijzigen.
Gang van zaken en bekendmaking van het bestreden besluit
6. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet op de juiste manier is bekend gemaakt. Het is niet naar de gemachtigde van eisers gestuurd, maar ter inzage gelegd in [plaats] . Daardoor zijn de zienswijze van 11 juli 2025 en de daarbij overgelegde vertaling van de aangifte ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming.
7. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het voornemen aan eisers is uitgereikt en dat de gevraagde stukken en de zienswijze niet binnen de gegeven termijn zijn ingediend. De minister heeft daarom de zienswijze niet bij de totstandkoming van het besluit betrokken en kunnen betrekken. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. Van een gebrekkige bekendmaking van het bestreden besluit is volgens de minister ook geen sprake.
8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank het volgende af:Op het formulier M35-O “Tweede of volgende asielaanvraag” zijn op pagina 4 bij “Gegevens van de advocaat” de gegevens van [naam] ingevuld, met een stempel van “Vluchtelingen voor Vluchtelingen” en de aantekening “maatschappelijk begeleider”. In het dossier bevindt zich verder een brief van de minister aan de maatschappelijk begeleider van eisers, [naam] van “Vluchtelingen voor Vluchtelingen” van 27 juni 2025. In die brief aan [naam] staat vermeld dat het gezin op 27 juni 2025 een voornemen heeft gekregen dat hun aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld en dat zij één week de tijd hebben om de aanvragen volledig te maken. In de brief staat ook dat het gezin bevestigend heeft geantwoord op de vraag of de IND het voornemen ook aan [naam] mag sturen. Kortheidshalve wordt verder verwezen naar (de inhoud van) het voornemen. Eisers hebben deze gang van zaken niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het voornemen op 27 juni 2025 juist aan eisers is bekendgemaakt, zodat de termijn voor het aanvullen van de aanvragen verstreek op 4 juli 2025.
9. Bij de gronden van beroep is een mailbericht meegezonden van 9 juli 2025, waarin [naam] aan de huidige gemachtigde van eisers verzoekt om de zaak over te nemen. Vervolgens heeft de gemachtigde op 11 juli 2025 een zienswijze ingediend.
10. De rechtbank stelt vast dat op het bestreden besluit is vermeld “ter inzage gelegd in [plaats] ”. De rechtbank leidt hieruit af dat het besluit niet is verzonden aan [naam] of een gemachtigde.
11. Artikel 70 van de Vw bepaalt dat in afwijking van de artikelen 2:1, tweede en derde lid, en 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar, administratief beroep, het beroep op de rechtbank of het hoger beroep wordt ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde, zijn referent of een advocaat.In paragraaf C1/2.13.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat, als geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is en het niet mogelijk is om de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging wordt opgehangen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan uit mocht gaan dat eisers ten tijde van het uitreiken van het bestreden besluit niet werden bijgestaan door een gemachtigde als bedoeld in artikel 70 van de Vw. Het bestreden besluit dateert van 7 juli 2025, terwijl de huidige gemachtigde van eisers pas op 9 juli 2025 is verzocht om de zaak over te nemen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister uit het vermelden van de naam van [naam] op het aanvraagformulier mocht afleiden dat de advocaat uit de eerste procedure niet meer als gemachtigde van eisers optrad. Op dat moment had zich ook nog niemand als nieuwe gemachtigde in de zin van artikel 70 van de Vw gesteld.
13. Gelet hierop kon de minister voor wat betreft de bekendmaking van het bestreden besluit in beginsel volstaan met terinzagelegging in [plaats] . Eisers hebben ook niet weersproken dat dit heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt verder vast dat eisers door tussenkomst van hun huidige gemachtigde tijdig beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. Daaruit volgt dat zij tijdig kennis hebben genomen van dit besluit. Van een gebrekkige kennismaking van het bestreden besluit waardoor eisers zouden zijn benadeeld is daarom geen sprake.
14. Voor zover eisers nog betogen dat de minister in het bestreden besluit rekening had moeten houden met de zienswijze, volgt de rechtbank eisers daarin niet. Uit de brief van 27 juni 2025 aan [naam] blijkt dat eisers op de hoogte waren van het voornemen, en daarmee van het standpunt van de minister dat de aanvraag onvolledig was. Omdat zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om tijdig een zienswijze in te dienen en/of om de aanvraag volledig te maken, mocht de minister de aanvraag buiten behandeling stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bahaddar-toets
15. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494), waardoor de noodzaak kan bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. De rechtbank wijst erop dat in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eisers in hun eerdere procedure ongeloofwaardig was, en is van oordeel dat het nieuw overgelegde document op dit moment niet voldoende is om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden in de hier bedoelde zin. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. De minister heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.