[naam], eiser.
geboren op [geboortedatum]
van Russische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:]
(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder zaaknummer NL25.54911 op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op 29 januari jl. apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (DVO). Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, DVO aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat voor Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat daar ernstige tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en opvang. Kroatië voldoet niet aan haar internationale verplichtingen. Eiser stelt dat hij het risico loopt slachtoffer te worden van gewelddadige pushbacks en collectieve uitzettingen, omdat Dublinclaimanten lastig te onderscheiden zijn van andere asielzoekers. Verder stelt eiser dat hij niet daadwerkelijk en effectief kan klagen bij de Kroatische autoriteiten. Hij is nooit geïnformeerd over klachtenprocedures. Aan hem is geen tolk of juridische bijstand ter beschikking gesteld. Eiser stelt dat er een kans bestaat dat hij bij overdracht aan Kroatië zal moeten terugkeren naar Rusland, waar hij vreest dat hij bij gerechtelijk bevel zal worden opgeroepen om deel te nemen aan de oorlog.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister voor Kroatië uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en is daarbij ingegaan op de toegang tot opvang en tot rechtsbijstand. De Afdeling heeft daarbij de brief van Centre for Peace Studies betrokken. De verwijzing van eiser naar het artikel van The Guardian maakt dit oordeel niet anders. In dit artikel worden vooral gedragingen van de grenspolitie beschreven, terwijl niet blijkt dat die gedragingen ook zien op terugkerende Dublinclaimanten. Ook in de overige door eiser aangehaalde bronnen leest de rechtbankgeen wezenlijk andere informatie dan door de Afdeling reeds in de beoordeling is betrokken.
Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Indien eiser in Kroatië wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De verwijzing naar het rapport Liberties Rule of Law is daartoe onvoldoende. Uit dit rapport blijken weliswaar moeilijkheden bij het indienen van “criminal complaints” over mensenrechtenschendingen door de Kroatische autoriteiten, maar dat maakt nog niet aannemelijk dat een klacht van eiser over bijvoorbeeld de opvang of de voortgang van zijn procedure geen kans van slagen zal hebben.
Verder verweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat toetsing of indirect refoulement aannemelijk is, niet aan de orde is binnen de Dublinprocedure, als ten aanzien van de aangezochte lidstaat mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals hiervoor geoordeeld, gaat de minister ten aanzien van Kroatië terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zodat de vraag of indirect refoulement aannemelijk is, niet ter beoordeling voor ligt.
Artikel 17 Dublinverordening
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de DVO. Eiser is in Kroatië onmenselijk en vernederend behandeld, hetgeen heeft geleid tot traumatische ervaringen en psychische klachten, waaronder slapeloosheid en andere gevolgen door zijn verblijf daar. Eiser is hierdoor dusdanig getraumatiseerd dat terugkeer naar Kroatië voor hem niet mogelijk is. Eiser wijst op zijn psychische klachten, suïcidale gedachten en pogingen en stelt dat een overdracht naar Kroatië zijn gezondheids- en psychische situatie aanzienlijk zal verslechteren en zal zorgen voor onomkeerbare gevolgen. Eiser stelt dat de minister in zijn beoordeling in het kader van artikel 17 DVO ten onrechte aan deze omstandigheden voorbij is gegaan.
Uit het arrest C.K. tegen Slovenië en de rechtspraak van de Afdeling volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou inhouden. Eiser moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden aantonen. Uit WI 2021/39 volgt dat eiser, in geval van suïcidedreiging, objectieve medische stukken van een behandelaar moet overleggen die aantonen dat de behandelaar het risico dat eiser suïcide zal plegen, als gevolg van de overdracht, als reëel inschat. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.
In de beroepsprocedure heeft eiser verschillende medische stukken ingebracht. Daaruit leidt de rechtbank af dat eiser al langer kampt met suïcidale gedachten en ook drie jaar geleden al een suïcide poging heeft gedaan. Uit de overgelegde medische informatie blijkt verder dat hij op 5 november 2025 is opgenomen op een klinische afdeling van de GGZ, nadat hij de politie had gebeld en had aangegeven een suïcidale poging te willen doen. Eiser verwijst naar twee andere door hem overgelegde medische brieven, waaruit blijkt dat hij op 12 november 2025 is ontslagen uit de klinische afdeling van de GGZ en dat hij van 27 november 2025 tot 21 december 2025 opgenomen is geweest op het Klinisch Centrum Acute Psychiatrie (KCAP) van de Parnassia Groep. Uit het bericht van de psychiater van de Parnassia Groep van 23 januari 2026 blijkt dat er vervolgzorg is geïndiceerd ter verdere diagnostiek en behandeling. Daarbij wordt opgemerkt dat niet kan worden ingeschat of eiser onbehandeld overgedragen kan worden naar Kroatië, omdat eiser daarvoor te lang uit beeld is bij het KCAP. Uit het medisch verslag van 5 februari 2026 blijkt van eisers suïcidepoging op 29 januari 2026 waarbij hij zichzelf in brand heeft gestoken. Eiser stelt zich op het standpunt dat de inhoud van de overgelegde stukken de minister aanleiding zou moeten geven om een BMA-advies aan te vragen.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat bij eiser sprake is van een ernstige mentale aandoening en dit leidt tot zorgen. Het is echter aan eiser om aan te tonen dat zijn behandelaar het risico op suïcide, als gevolg van de overdracht, als reëel inschat. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd die dat aantonen. In de overgelegde medische stukken wordt geen verband gelegd tussen (het risico op) suïcide en de overdracht naar Kroatië. Er bestaat daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het BMA moet raadplegen voordat eiser kan worden overgedragen. Ook zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Eiser heeft ook voor zijn vertrek uit Rusland al een suïcide poging gedaan.
De minister heeft gemotiveerd waarom de eerdere ervaringen van eiser in Kroatië geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister heeft daarbij naar het interstatelijke vertrouwensbeginsel mogen verwijzen. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 DVO.
7. De rechtbank ziet in hetgeen eiser overigens in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eisers terecht wordt overgedragen aan Kroatië.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.