RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6564
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 oktober 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Eiser heeft daarna vervolgberoepen ingediend. Uit de laatste uitspraak op het vervolgberoep volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 januari 2026.
4. Eiser heeft verzocht in persoon te worden gehoord gezien de duur van de bewaring en de aard van zijn beroepsgronden.
5. De rechtbank overweegt dat uit 96, eerste lid, van de Vw volgt dat in een vervolgberoep horen in persoon niet in alle gevallen verplicht is. Als de rechtbank zich op basis van de stukken voldoende voorgelicht acht, is het mogelijk om de zaak schriftelijk af te doen. Daartoe heeft de rechtbank in dit geval aanleiding gezien. De rechtbank weegt daarbij mee dat eiser al eerder in persoon is gehoord op de zitting van 22 oktober 2025 en nu niet heeft toegelicht wat hij alleen in persoon naar voren zou kunnen brengen.
6. Eiser voert in beroep aan dat hij al meer dan zeven maanden in bewaring zit. Hij acht het voortduren van de bewaring bezwarend, niet proportioneel en geen blijk geven van een redelijke belangenafweging. Eiser heeft medische problemen zoals blijkt uit de medisch journalen van 17 oktober 2025 en 6 februari 2026 van het [detentiecentrum] . Er is sprake van PTSS, onberekenbaar gedrag en zorgmijding door eiser. Eiser krijgt in het detentiecentrum niet de vereiste zorg voor zijn medische klachten. Vanwege zijn medische gesteldheid kan aan hem niet worden tegengeworpen dat hij niet meewerkt en verweerder heeft voorgaande omstandigheden onvoldoende kenbaar meegenomen in de belangenafweging. Ook is ten onrechte geen lichter middel opgelegd. Het strikte bewaringsregime is dan ook extra bezwarend voor eiser vanwege zijn mentale kwetsbaarheid.
7. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde gronden ten aanzien van de proportionaliteit, de belangenafweging, zijn medische problemen en het lichter middel (in essentie) een herhaling zijn van wat eiser in de eerdere procedures tegen (het voortduren van) de maatregel van bewaring heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraken van 23 oktober 2025 en 8 januari 2026. Zoals eerder overwogen volgt uit de stukken die eiser heeft overgelegd niet dat bij eiser de diagnose is gesteld dat sprake is van PTSS of andere ernstige medische problematiek, dan wel dat eiser zorgmijder is. Uit de medische journalen die eiser heeft overgelegd volgt dat eiser bij binnenkomst op 30 juni 2025 in het detentiecentrum zelf heeft verklaard dat hij psychische problemen heeft en dat hij daarom agressief, verward en zwijgzaam gedrag vertoont, echter dit is tot op heden niet ondersteund door een daadwerkelijke en objectieve diagnose. Eiser wordt door de arts(en) herhaaldelijk omschreven als vriendelijk, georiënteerd, helder, alert, gezond, zonder beperkingen en dat er geen zorgen zijn met betrekking tot psychiatrie of suïcidaliteit. Uit het overzicht volgt dat eiser de medische dienst in het detentiecentrum regelmatig bezoekt voor verscheidene lichamelijke klachten, zoals maagpijn, droge huid, hoofdpijn en dergelijke en dat hij hiervoor ook de benodigde behandeling krijgt. Deze informatie geeft er dan ook geen blijk van dat eiser zorg in het detentiecentrum mijdt en dat hij geen passende zorg krijgt voor zijn klachten. Ook volgt hieruit niet dat de detentie voor eiser onredelijk bezwarend is of dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Eiser heeft in de huidige procedure, anders dan hij stelt, namelijk geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde (herhaalde) beroepsgronden dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel dan is overwogen in de eerdere uitspraken.
8. Ook eisers beroepsgronden dat het zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting vormen een herhaling van wat eiser eerder heeft aangevoerd. Zoals overwogen in de uitspraken van 23 oktober 2025 en 8 januari 2026 bestaat er in het algemeen en ook in het individuele geval zicht op uitzetting naar Nigeria. Verweerder heeft voor eiser een aanvraag voor een laissez-passer (lp) ingediend bij de Nigeriaanse autoriteiten en verweerder rappelleert regelmatig bij de Nigeriaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten het verzoek om afgifte van een lp hebben afgewezen of dat er concrete aanwijzingen zijn dat zij geen lp zullen verlenen aan eiser. Verweerder heeft geprobeerd eiser op 4 september 2025 en 17 oktober 2025 te presenteren aan de Nigeriaanse autoriteiten. Echter deze presentaties zijn niet doorgegaan omdat eiser daaraan niet meewerkte. Ook tracht verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser te voeren, maar ook bij deze vertrekgesprekken verschijnt eiser niet. Op 12 januari 2026 is nog wel een vertrekgesprek met eiser gevoerd, echter uit het verslag volgt dat eiser verklaart niet met de regievoerder te willen spreken, dat deze niet meer langs hoeft te komen en dat hij niet wil terugkeren naar Nigeria. Op eiser rust een meewerkplicht en hij kan daarmee het proces bespoedigen. Dat eiser ervoor kiest zich weigerachtig op te stellen waardoor het proces langer duurt, komt dan ook voor zijn risico. De beroepsgronden van eiser slagen daarom niet.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.