ECLI:NL:RBDHA:2026:30030

ECLI:NL:RBDHA:2026:30030

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.57510
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring; beroep; bewaringsgronden; lichter middel; ambtshalve toetsing; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57510

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

Bewaringsgronden

2. In de aan eiser opgelegde maatregel staat dat de maatregel nodig is omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en er een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verweerder heeft ter zitting de grond o laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.

Eiser betwist de grond k.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, r en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeft de betwiste grond k geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

3. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij wel degelijk meewerkt aan zijn overdracht aan Polen, maar dat hij vanwege de postverwerking in het asielzoekerscentrum maar voor twee vertrekgesprekken een uitnodiging heeft ontvangen. Een van deze uitnodigingen ontving hij zelfs pas op de dag van het vertrekgesprek zelf, na het geplande tijdstip voor het gesprek. Daarnaast voert eiser aan dat hij in oktober nog ziekenhuisafspraken heeft staan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, mede gelet op de onder 2.4. genoemde dragende gronden, zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Of eiser al dan niet verwijtbaar vertrekgesprekken heeft gemist, maakt dit niet anders. Verweerder heeft dit niet meegewogen bij zijn beslissing om geen lichter middel toe te passen en de rechtbank ziet hierin – mede gelet op wat hierna wordt overwogen - geen aanleiding om te concluderen dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder inzake het lichter middel terecht zwaar heeft meegewogen dat de overdracht van 10 september 2026 geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser niet klaarstond voor vertrek. Eiser is tijdens het vertrekgesprek van 3 september 2026 geïnformeerd over de overdracht en erop gewezen dat, indien het hem te verwijten valt dat de overdracht niet kan plaatsvinden, dit zeer waarschijnlijk zou leiden tot een gedwongen overdracht voorafgegaan door vreemdelingenbewaring. Tijdens het vertrekgesprek van 7 september 2026 zijn de nadere details van de overdracht met eiser besproken en is hij wederom gewezen op de consequenties indien hij niet zou meewerken aan zijn overdracht. De overdracht is vervolgens op 10 september 2026 geannuleerd, omdat eiser zich niet had gemeld voor de overdracht (“the person concerned did not report himself to be transferred.”). Dat eiser de nacht voor de vlucht een paniekaanval heeft gekregen, wil de rechtbank wel aannemen, maar dat hij ’s morgens nog niet in staat was mee te gaan en door een overmachtssituatie niet is overgedragen, is door eiser niet onderbouwd en blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit het dossier. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de overdracht zou plaatsvinden met medische begeleiding en dat uit het proces-verbaal van het gehoor volgt dat DV&O op de dag van de overdracht bij eiser aan de deur stond om hem op te halen maar dat eiser zei dat hij zich niet goed voelde en niet mee ging. Voor eisers – naar het oordeel van de rechtbank tegenstrijdige – verklaring dat DV&O toen zei dat eiser maar moest blijven rusten en dat eiser wel klaar was om weg te gaan, ziet de rechtbank geen bevestiging in het dossier. Eiser wist verder dat zijn medische situatie geen belemmering kon vormen voor zijn overdracht, nu zijn aanvraag van 7 september 2026 om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw bij besluit van 8 september 2026 was afgewezen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat voorafgaand aan de overdracht aan Polen een fit-to-fly beoordeling zal plaatsvinden. Voor zover eiser meent dat hij vanwege zijn medische situatie niet aan Polen kan worden overgedragen, kan hij dit inbrengen in de procedure inzake de afwijzing van zijn aanvraag om uitstel van vertrek. Dat eiser in oktober ziekenhuisafspraken heeft staan, maakt evenmin dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Zoals verweerder terecht in de maatregel heeft overwogen, kan ook in het detentiecentrum worden beoordeeld welke behandeling, begeleiding en medicatie eiser gedurende zijn verblijf nodig heeft. De medische voorzieningen in het detentiecentrum moeten vergelijkbaar worden geacht met de medische zorg in de vrije maatschappij (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16). Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat deze zorg ontoereikend voor hem zou zijn. Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan dan ook niet.

Slotsom beroepsgronden

4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand