ECLI:NL:RBDHA:2026:30032

ECLI:NL:RBDHA:2026:30032

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.57646
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring; lichter middel; voortvarend handelen; ambtshalve toetsing; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57646

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Dogan),

en

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Bewaringsgronden

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;

f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b, c, d, f, h, o, q en r voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van bewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt.

Lichter middel

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard familie in Nederland te hebben. Verweerder had contact met hen moeten opnemen en moeten onderzoeken of eiser in aanmerking kwam voor een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser onvoldoende meegewogen dat hij eerder een epileptische aanval heeft gehad.

4. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard een broer in Amsterdam te hebben. Verweerder heeft hierop doorgevraagd, maar eiser heeft aangegeven niets over zijn broer te weten en niet over hem te willen praten. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen zaken van zijn broer zoekt en dat zijn broer niets met eisers zaken te maken heeft. Naar het oordeel van de rechtbank geven deze verklaringen geen aanleiding voor het oordeel dat op verweerder de verplichting rustte om contact op te nemen met de broer van eiser of om nader te onderzoeken of eiser in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat eiser geen familieleden in Nederland of Europa heeft met wie een afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verder blijkt uit de maatregel dat de epileptische aanval van eiser is betrokken bij verweerders beslissing inzake het lichter middel. Verweerder heeft hierover terecht overwogen dat dit geen medische omstandigheid is die de inbewaringstelling kan belemmeren. Daarbij heeft verweerder kunnen volstaan met de motivering dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten op het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. Deze medische voorzieningen moeten vergelijkbaar worden geacht met de medische zorg in de vrije maatschappij (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16). De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder heeft op 5 augustus 2026 bij de Sierra Leoonse autoriteiten een aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp) ingediend, maar niet bekend is welke vervolgstappen verweerder sindsdien heeft genomen.

6. De rechtbank overweegt dat eiser op 28 september 2026 in bewaring is gesteld en dat uit het dossier blijkt dat verweerder op 2 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Hieruit volgt dat verweerder op de vijfde dag van eisers bewaring een eerste uitzettingshandeling heeft verricht. Alleen al hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829). Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit de Aanbiedingsbrief van 5 oktober 2026 volgt dat eiser op 27 augustus 2026 stond ingepland voor een presentatie bij de vertegenwoordigers van de ambassade van Sierra Leone, maar dat hij niet is verschenen. Eiser heeft dit ook niet betwist. Het betoog van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting kan, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom beroepsgronden

7. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

8. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand