ECLI:NL:RBDHA:2026:30045

ECLI:NL:RBDHA:2026:30045

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer C/09/706904 / KG ZA 26-633
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Internationaal karakter. Vordering tot nakoming van vaststellingsovereenkomst toegewezen, dwangsommen en voorschot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/706904 / KG ZA 26-633

Vonnis in kort geding van 26 augustus 2026

in de zaak van

ANTARGAZ B.V. te Nijmegen,

eiseres,

advocaten: mrs. S. van der Hoeven en N. Vrugt,

tegen:

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. R.H.U. Keizer.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Antargaz’ en ‘[gedaagde]’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 juli 2026 met producties 1 tot en met 35;

- de brief namens Antargaz van 10 juli 2026;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;

- de akte van Antargaz met aanvullende producties 36 tot en met 43;

- de brief namens Antargaz van 10 augustus 2026;

- de door Antargaz overgelegde pleitnotitie.

Op 12 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Tussen Antargaz en [gedaagde] bestaat al enige tijd een geschil over het navullen van gasflessen door [gedaagde].

Bij beschikking van 9 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter onder andere het verzoek van Antargaz tot het staken van merkinbreuken door [gedaagde] en het verzoek tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van beslag tot afgifte toegewezen.

Antargaz heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken van [gedaagde]. [gedaagde] is naar aanleiding van de beslaglegging een executiekortgeding gestart. Bij vonnis van 12 mei 2023 zijn de beslagen opgeheven en is Antargaz veroordeeld om de beslagen door te halen.

Bij vonnis van 25 oktober 2023 heeft de rechtbank [gedaagde] onder meer bevolen om het navullen van gasflessen waarop het merk ANTARGAZ is aangebracht en – samengevat – het aanbieden van gasflessen waarop zonder toestemming van Antargaz het merk ANTARGAZ is aangebracht te staken en gestaakt houden in Nederland, op straffe van een dwangsom.

Bij deurwaardersexploot van 20 maart 2024 heeft Antargaz aanspraak gemaakt op betaling van € 445.000 aan dwangsommen. Antargaz heeft vervolgens executoriaal beslag op onroerende zaken van [gedaagde] gelegd.

Op 21 mei 2024 is [gedaagde] een executiekortgeding gestart waarin hij, samengevat, opheffing van de gelegde executoriale beslagen op straffe van een dwangsom heeft gevorderd. Bij vonnis van 17 oktober 2024 zijn de vorderingen van [gedaagde] afgewezen, omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] onverzegelde gasflessen van Antargaz heeft gevuld en verkocht en dat hij daarmee het vonnis van 25 oktober 2023 heeft geschonden. De voorzieningenrechter heeft verder geoordeeld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [gedaagde] dwangsommen aan Antargaz verschuldigd is en dat Antargaz daarom belang heeft bij zekerheid tot verhaal van haar vordering.

Vanaf december 2024 tot en met begin januari 2025 heeft Lecta Recherchediensten (hierna: Lecta) het depot van [gedaagde] in opdracht van Antargaz geobserveerd. In deze periode heeft Lecta ook twee locatiebezoeken bij [gedaagde] afgelegd. Op 21 januari 2025 heeft Antargaz nogmaals executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaken en voertuigen van [gedaagde]

. Ook heeft Antargaz ten laste van [gedaagde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder twee banken en zeven cafés. Nadat [gedaagde] Antargaz heeft gesommeerd om alle executoriale beslagen op te heffen, heeft Antargaz alleen de executoriale derdenbeslagen opgeheven.

Op 25 februari 2025 is [gedaagde] een executiekortgeding gestart waarin hij primair opheffing van de executoriale beslagen op de onroerende zaken en auto’s op straffe van een dwangsom heeft gevorderd, en subsidiair (en voorwaardelijk, als [gedaagde] dwangsommen verschuldigd is) om Antargaz te veroordelen om binnen 24 uur na betaling van het bedrag aan verschuldigde dwangsommen de executoriale beslagen op de onroerende zaken op te heffen op straffe van een dwangsom. In reconventie heeft Antargaz oplegging van hogere dwangsommen gevorderd. Bij vonnis van 18 maart 2025 is Antargaz veroordeeld om binnen 24 uur na betaling van € 60.000 aan dwangsommen door [gedaagde], de executoriale beslagen op de onroerende zaken van [gedaagde] op te heffen, op straffe van een dwangsom.

Partijen hebben daarna uitvoerig met elkaar onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst.

Bij e-mail van 22 oktober 2025 heeft mr. [naam] (namens [gedaagde]) mr. Van der Hoeven in verband met de conceptvaststellingsovereenkomst, voor zover relevant, als volgt bericht.

“2.1.4

Zoals eerder aangegeven, zal cliënt zich niet jegens Antargaz verplichten of boetes betalen met betrekking tot gasflessen van andere marktpartijen dan Antargaz. Deze - overigens onredelijke - eis van Antargaz zou komen te vervallen indien cliënt zou instemmen met plaatsing van een camera.”

Bij e-mail van 24 oktober 2025 heeft mr. Van der Hoeven (namens Antargaz) mr. [naam], voor zover relevant, als volgt bericht.

“Alvorens Antargaz kijkt naar de andere opmerkingen, is er één fundamenteel punt waarover [gedaagde] een standpunt moet innemen, namelijk de boetes bij overtredingen op concurrerende merken.

 Ofwel heeft Antargaz het recht om de beelden te delen met derden. Dan kan de boete achterwege blijven.

 Ofwel heeft Antargaz niet het recht om de beelden te delen met derden, maar dan moet Antargaz zelf een boete kunnen aanrekenen bij een overtreding.

[gedaagde] moet hier een keuze maken.

Als [gedaagde] dit punt niet kan aanvaarden, dan kan Antargaz de deal niet laten doorgaan.”

Bij e-mail van 30 oktober 2025 heeft mr. [naam] (namens [gedaagde]) mr. Van der Hoeven als volgt bericht.

“Naar aanleiding van uw onderstaande bericht en ons telefonisch overleg daarover, bericht ik u namens cliënt dat cliënt ermee zal instemmen dat Antargaz de beelden mag delen met derden, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- Het delen van beelden is uitsluitend toegestaan bij een redelijke verdenking van het onrechtmatig vullen van flessen;

- Het delen van beelden is uitsluitend toegestaan met Benegas;Als ze hiervoor toestemming van benegas hebben

- Antargaz stelt [gedaagde] vooraf schriftelijk op de hoogte van elk geval waarin dergelijke beelden worden gedeeld;

- Antargaz is aansprakelijk voor alle schade die [gedaagde] lijdt indien beelden worden gedeeld zonder dat daarvoor een redelijke verdenking van een overtreding bestaat.

Voorts blijft cliënt het vreemd vinden dat Antargaz gaat controleren of er flessen van Benegas worden gevuld. Cliënt wenst dan ook dat dit punt met Benegas wordt besproken. Cliënt vraagt zich af of Benegas hierop wel zit te wachten.”

Op 9 en 17 maart 2026 hebben Antargaz en [gedaagde] de definitieve versie van de vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin onder meer een door [gedaagde] aan Antargaz te betalen forfaitaire schadevergoeding is opgenomen en, samengevat, een verbod voor [gedaagde] om gasflessen van Antargaz na te vullen. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] contractuele boetes aan Antargaz verbeurt bij overtreding van dit verbod. Artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt verder ten aanzien van [gedaagde]:

“zullen zich met onmiddellijke ingang onthouden van gelijkaardige inbreuken op de exclusieve rechten van andere marktpartijen in de gasflessenbranche en van gelijkaardige praktijken ten aanzien van de Flessen van die andere marktpartijen, in het bijzonder ten aanzien van Flessen die Gasbottling vult en die herkenbaar zijn aan het Y0-teken op de flesverzegeling (o.a. Benegas inclusief de aan haar toebehorende ex-Primagaz Nederland Flessen)”

En artikel 2.2: Controle op naleving bepaalt dat [gedaagde] Antargaz zal toelaten om de activiteiten van [gedaagde] te controleren:

“Hiertoe zal de Flessendealer vooreerst meewerken aan de installatie van een permanente camera die de vulinstallatie(s) van Flessendealer zal filmen.

(…)

8. Toegang tot de beelden is beperkt tot de directieleden en juridische afdeling van Antargaz.

Bij een redelijke verdenking van een (vermeende) overtreding op artikel 2.1.5 en/of 2.1.6 van de Vaststellingsovereenkomst (gelijkaardige inbreuken op de exclusieve rechten van andere marktpartijen in de gasflessenbranche) mag Antargaz de beelden eveneens delen met de directieleden van de betreffende marktpartij. Antargaz zal Flessendealer minstens twee

werkdagen op voorhand infomeren indien Antargaz voornemens is om beelden te delen met

de betreffende marktpartij.”

Op de datum van de mondelinge behandeling had Antargaz de camera nog niet laten ophangen.

Op 11 en 13 mei 2026 heeft Lecta in opdracht van Antargaz het bedrijfsterrein van [gedaagde] geobserveerd. Op 13 mei 2026 heeft Lecta ook een locatiebezoek bij [gedaagde] afgelegd. Lecta heeft hiervan video-opnames gemaakt. Daarnaast heeft Lecta een schriftelijk rapport opgesteld van haar bevindingen (hierna: het rapport van Lecta), waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen:

“Hieromtrent zijn de volgende algemene bevindingen gedaan:

• Het navullen van Antargaz propaangasflessen werd niet vastgesteld.

• Het navullen van andere propaangasflessen werd wel vastgesteld, o.a. propaangasflessen van Benegas, Primagaz België, Rijngas, [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2].

• De eigenaar van [handelsnaam 2], de heer [gedaagde], vulde zelf ter plaatse de door klanten meegebrachte propaangasflessen van Rijngas. De heer [gedaagde] was ook vaak op het terrein aanwezig wanneer de medewerkers van [handelsnaam 2] propaangasflessen navulden.

• De werkwijze inzake het navullen was grofweg gelijkaardig als de werkwijze die vorig jaar werd vastgesteld ten aanzien van de Antargaz propaangasflessen (volle propaangasflessen werden na het vullen handmatig in stalen kratten geplaatst, waarna het stalen krat met de heftruck naar een plek op het achter terrein van [handelsnaam 2] werd gebracht. Soms werden gasflessen handmatig naar die plek gebracht en één keer werden gasflessen gevuld terwijl de klant erop wachtte (Rijngas, zie vorige punt).”

3. Het geschil

Antargaz vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om artikel 2.1 lid 5 VSO na te komen;

II. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 10.000 verbeurt indien de veroordeling onder I. wordt overtreden, met een maximum van € 1.000.000;

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.992 ex btw aan Antargaz, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 mei 2026;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

Daartoe stelt Antargaz – samengevat – het volgende. Op grond van artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft Antargaz recht om via de rechter een bevel tot onmiddellijke nakoming en een verbod op verdere overtreding af te dwingen. Uit het rapport van Lecta volgt dat [gedaagde] artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. Daardoor schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de verplichtingen uit artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst en is sprake van wanprestatie. Tot op heden is gebleken dat uitsluitend de verplichting uit artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst onvoldoende is voor [gedaagde] om hem ervan te weerhouden om inbreuk op de rechten van derden te maken door gasflessen van deze derden illegaal na te vullen. Antargaz vraagt daarom om een rechterlijke dwangsom, zodat voor [gedaagde] een financiële prikkel tot nakoming ontstaat. Daarbij heeft Antargaz ook een eigen belang bij het voorkomen van verdere overtredingen van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde], omdat incidenten negatieve impact hebben op de reputatie van de merkhouder en omdat het illegaal navullen van gasflessen van andere marktpartijen een oneerlijk speelveld creëert. Ten aanzien van het voorschot op de schadevergoeding geldt dat het om redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde] gaat in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Antargaz is in België gevestigd en [gedaagde] woont in Nederland. Hierdoor heeft het geschil een internationaal karakter. De voorzieningenrechter moet in dat geval (ambtshalve) vaststellen of hij rechtsmacht heeft.

De bevoegdheid van de voorzieningenrechter moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Partijen zijn in artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is voor de behandeling van geschillen die voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst. Deze forumkeuze voldoet aan de vereisten van artikel 25 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening en is daarmee rechtsgeldig. Dat betekent dat de voorzieningenrechter te Den Haag rechtsmacht heeft in deze zaak.

Hetzelfde geldt voor het toepasselijk recht, dat moet worden beoordeeld aan de hand van de Europese verordening Rome I. Partijen hebben in artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst ook een expliciete rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht. Vanwege deze rechtskeuze is Nederlands recht op grond van artikel 3 van de Rome I-Verordening van toepassing op de vorderingen van Antargaz.

Spoedeisend belang

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat een spoedeisend belang aan de zijde van Antargaz ontbreekt, omdat (i) een boete en dwangsom bewust uit de vaststellingsovereenkomst zijn gelaten, (ii) Antargaz geen eigen belang heeft, (iii) de beweerdelijke schade van Antargaz niet aannemelijk is gemaakt en (iv) de overtredingen niet overtuigend zijn aangetoond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Antargaz in ieder geval een spoedeisend belang bij de vordering tot nakoming van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst en de gevorderde dwangsommen. [gedaagde] heeft zich met de vaststellingsovereenkomst immers jegens Antargaz verplicht om, kort samengevat, zich te onthouden van het navullen van gasflessen van derden en volgens Antargaz handelt [gedaagde] in strijd met deze contractuele verplichting. Het spoedeisend belang volgt daarom uit de aard van deze vorderingen. Het spoedeisend belang van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding wordt onder 4.11. besproken.

Nakoming

Antargaz vordert primair nakoming van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst op grond van wanprestatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Antargaz geen nakoming kan vorderen op grond van wanprestatie (artikel 6:74 BW). Dit artikel biedt slechts een grondslag voor schadevergoeding en dat is niet wat Antargaz onder I. vordert; zij vordert nakoming van een contractuele verplichting.

Partijen zijn het erover eens dat Antargaz niet de houdster is van de merkenrechten van de derden waarop [gedaagde] mogelijk inbreuk maakt, zodat Antargaz niet rechtstreeks op grond van het merkenrecht van derden kan optreden tegen deze vermeende inbreuken. Volgens [gedaagde] ontbreekt als gevolg daarvan een rechtmatig belang aan de zijde van Antargaz. Hoewel Antargaz inderdaad niet de rechthebbende is van de merkenrechten waarop [gedaagde] mogelijk inbreuk maakt, heeft [gedaagde] zich met artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst jegens Antargaz verplicht om zich te onthouden van inbreuken op merkenrechten van derden. Nakoming van een dergelijke contractuele verplichting kan in beginsel worden gevorderd op grond van artikel 3:296 BW. Wel moet Antargaz ingevolge artikel 3:303 BW voldoende belang hebben bij haar vordering tot nakoming.

Antargaz heeft aangevoerd dat zij een aantal eigen, zelfstandige belangen heeft bij het in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verbod. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Antargaz in ieder geval belang bij nakoming van de tussen partijen overeengekomen verplichting door [gedaagde], omdat [gedaagde] een oneerlijk concurrentievoordeel behaalt door het illegaal navullen van de gasflessen. Antargaz heeft immers onweersproken aangevoerd dat merkhouders zoals Antargaz aanzienlijke kosten maken voor de aankoop, vervanging, herkeuring en het onderhoud van de gasflessen, terwijl [gedaagde] deze kosten niet maakt als hij gasflessen illegaal navult. [gedaagde] kan daardoor een scherpere prijs aanbieden dan Antargaz en de andere merkhouders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Antargaz belang bij een eerlijk speelveld en daarmee bij nakoming van de in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen verplichting door [gedaagde].

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat voor de vordering tot nakoming geen ingebrekestelling of verzuim is vereist. De bevoegdheid om nakoming te vorderen is immers niet een gevolg van wanprestatie, maar bestaat al voordat de schuldenaar in verzuim raakt. Gelet op dit een en ander acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. De vordering wordt toegewezen.

Dwangsommen

Antargaz vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van dwangsommen aan Antargaz indien [gedaagde] in strijd handelt met artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst. Een verbod zonder directe financiële prikkel is volgens Antargaz onvoldoende voor [gedaagde] om hem tot nakoming van de overeengekomen verplichting te bewegen. Aan overtreding van artikel 2.1 lid 4 van de vaststellingsovereenkomst (een verbod op het navullen van Antargaz gasflessen) is namelijk wel een boeteclausule verbonden en [gedaagde] lijkt zich daaraan te houden. Dat geldt volgens Antargaz niet voor het verbod om gasflessen van derden na te vullen. Uit het rapport van Lecta en de door Lecta gemaakte video-opnamen volgt volgens Antargaz dat [gedaagde] nog steeds illegaal gasflessen navult. Een rechterlijke dwangsom is daarom de enige effectieve wijze om nakoming te waarborgen, aldus Antargaz. Daarentegen voert [gedaagde] aan dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat geen contractuele boete aan overtreding van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst wordt verbonden en dat juist voor een andere sanctie is gekozen; het recht van Antargaz om camerabeelden – van een camera die op kosten van Antargaz bij [gedaagde] wordt opgehangen en de vulinstallatie van [gedaagde] filmt – met derden te delen.

De voorzieningenrechter stelt op basis van het rapport van Lecta en de door Lecta gemaakte video-opnamen voorop dat niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] in strijd met artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld. In dit geval kan echter in het midden blijven of [gedaagde] het verbod heeft overtreden. Uit de correspondentie tussen partijen en hun advocaten volgt dat uitvoerig is onderhandeld over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en dat partijen uitdrukkelijk voor een ander sanctiemiddel dan een financiële prikkel hebben gekozen bij overtreding van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde]. Op 24 oktober 2025 heeft Antargaz [gedaagde] verzocht om een keuze te maken over een voor Antargaz fundamenteel punt, namelijk de boetes bij het navullen van gasflessen van derden door [gedaagde]. [gedaagde] moest een keuze maken tussen (i) ofwel het recht voor Antargaz om camerabeelden te mogen delen met derden, in welk geval de boete volgens Antargaz achterwege kan blijven, (ii) ofwel geen recht voor Antargaz om camerabeelden met derden te delen, in welk geval [gedaagde] wel een boete aan Antargaz verbeurt bij een overtreding. [gedaagde] heeft vervolgens ingestemd met de eerste optie en dit is ook opgenomen in artikel 2.2 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn hiermee expliciet overeengekomen dat [gedaagde] geen boete aan Antargaz verschuldigd is bij overtreding van het in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verbod. Hoewel een dwangsom juridisch gezien niet dezelfde executieregels kent als een contractuele boete, is de essentie van de contractuele boete dezelfde als die van een dwangsom. Beide zijn bedoeld als prikkel om nakoming af te dwingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onder de gegeven omstandigheden – waarin partijen hebben beoogd om juist geen financiële prikkel aan een overtreding van het in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verbod te verbinden en voor een ander sanctiemiddel hebben gekozen – geen dwangsom aan [gedaagde] worden opgelegd bij overtreding van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben er immers uitdrukkelijk voor gekozen dat op kosten van Antargaz een camera wordt opgehangen in de vulruimte van [gedaagde] en dat Antargaz bij een redelijke verdenking van een (vermeende) overtreding de camerabeelden daarvan mag delen met derden, zodat de betreffende derden, zoals Benegas, zelf in staat worden gesteld om op te treden tegen mogelijke merkinbreuken. Enkel in het geval van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de situatie waarin [gedaagde] het ophangen van de camera probeert te verhinderen of uit te stellen of de camera onklaar wordt gemaakt, kan mogelijk van dit uitgangspunt worden afgeweken. Nu Antargaz de camera nog niet heeft opgehangen, en niet is gesteld of anderszins gebleken dat [gedaagde] heeft getracht het ophangen van de camera te verhinderen of uit te stellen, is daarvan geen sprake. De gevorderde dwangsommen worden dan ook afgewezen.

Voorschot schadevergoeding

Antargaz vordert een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 3.992 exclusief btw, bestaande uit de kosten van het onderzoek door Lecta. Volgens Antargaz zijn deze kosten aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde]. Daarnaast is volgens Antargaz voldaan aan de drie vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. De voorzieningenrechter volgt Antargaz hierin niet. Het enkele feit dat Antargaz deze kosten al heeft gemaakt, resulteert niet, zoals Antargaz stelt, in een spoedeisend belang aan de zijde van Antargaz. Daarnaast is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. Partijen zijn overeengekomen dat op kosten van Antargaz een camera wordt opgehangen bij [gedaagde] waarmee de vulinstallatie van [gedaagde] gefilmd wordt. Indien Antargaz hiertoe reeds was overgegaan, had zij Lecta niet hoeven inschakelen om te controleren of [gedaagde] al dan niet in strijd met de overeengekomen verbodsbepalingen handelt. Het gevorderde voorschot wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

Partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld. Daarom zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

3556

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand