ECLI:NL:RBDHA:2026:30048

ECLI:NL:RBDHA:2026:30048

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer C/09/707936 / KG ZA 26-721
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Geschil tussen buren over bouwwerkzaamheden. Voorlopig oordeel dat het voorgenomen bouwplan niet leidt tot onrechtmatige hinder. Gevorderde bouwstop en vordering tot afbraak van de reeds gerealiseerde bouwwerken af te breken op straffe van dwangsommen, afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/707936 / KG ZA 26-721

Vonnis in kort geding van 16 september 2026

in de zaak van

1. [eisers sub 1] te [woonplaats],

2. [eisers sub 2] te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. R. Haverlag,

tegen:

1. [gedaagden sub 1] te [woonplaats],

2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. R. Vos.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eisers]’ en ‘[gedaagden]’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 juli 2026 met producties 1 tot en met 9;

- de brief van [gedaagden] van 28 augustus 2026 met producties 1 tot en met 4;

- de brief van [gedaagden] van 1 september 2026 met producties 5 tot en met [huisnummer];

- de akte wijziging eis van [eisers] van 1 september 2026;

- de brief van [eisers] van 2 september 2026 met productie 10;

- de door [gedaagden] op 2 september 2026 ingediende productie 9;

- de door [eisers] overgelegde pleitnotitie inclusief eiswijziging;

- de door [gedaagden] overgelegde pleitnotitie.

Op 2 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eisers] zijn eigenaar van de woning aan het adres [adres 1], waar zij zelf wonen. [gedaagden] zijn sinds 2025 eigenaar van de daarnaast gelegen woning aan het adres [adres 2]. De woningen maken deel uit van een drietal geschakelde woningen die trapsgewijs in het duin zijn gesitueerd, waarbij de woning aan de [adres 2] op een hoger niveau ligt dan de woning aan de [adres 1]. De situatie ziet er in 2025 als volgt uit (waarbij de rechtbank de huisnummers heeft toegevoegd).

[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]

In september 2025 zijn [eisers] gestart met de verbouwing van hun woning. De verbouwing ziet op het realiseren van (i) een (verbreding van de) dakopbouw op de tweede verdieping van de woning, (ii) een verlenging van de bestaande aanbouw aan de achterzijde van de woning met circa 4 meter, en (iii) een veranda c.q. overkapping van circa 4 meter diep en circa 3 meter hoog. De bouwwerken worden aan de achterkant van de woning en tegen de erfgrens met het perceel van [eisers] gebouwd.

Op 15 december 2025 heeft de gemeente een omgevingsvergunning aan [gedaagden] verleend voor de verbouwing van de woning. Op 19 januari 2026 hebben [eisers] bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 11 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, sector bestuursrecht, de omgevingsvergunning van 15 december 2025 geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.

In april 2026 hebben [eisers] een schaduwonderzoek laten uitvoeren in verband met de dakopbouw van [gedaagden] In het rapport van architect [architect] (hierna: [architect]) van 29 april 2026 is de schaduwwerking door de woning van [gedaagden] op het perceel van [eisers] berekend voor huidige situatie en de nieuwe situatie op de dagen 21 juni, 21 juli, 21 augustus en 21 september en op de tijdstippen 16:00 uur, 17:00 uur, 18:00 uur en 19:00 uur.

Bij e-mail van 13 mei 2026 hebben [eisers] aan SolarNRG gevraagd wat het verlies in opbrengst van de zonnepanelen is vanwege de dakopbouw van [gedaagden] en of er verplaatsingsmogelijkheden of andere oplossingen zijn. Op 19 mei 2026 heeft SolarNRG [eisers], voor zover relevant, als volgt bericht.

“Door de opbouw liggen de onderste 3 panelen rechts in de schaduw, zie bijlage. Op 18 mei heeft dit gezorgd voor een verlies van ongeveer 3kw, de rechter 3 panelen hadden bij elkaar een totale productie van 3kw en de linker 3 panelen een totale productie van 6kw. Helaas zie ik niet de mogelijkheid om de panelen te verschuiven.”

Op 26 juni 2026 heeft een zitting plaatsgevonden in de bezwaarprocedure tegen de omgevingsvergunning van 15 december 2025. Op 29 juli 2026 heeft de adviescommissie een schriftelijk advies uitgebracht waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen.

“De commissie stelt vast dat de motivering het besluit van 15 december 2025 op dit moment niet kan dragen en adviseert het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk om nader onderzoek te verrichten naar bezonning en een belangenafweging te maken en dan het besluit op dit punt nader te motiveren en aan de hand daarvan te beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven.”

[gedaagden] hebben vervolgens een zienswijze ingediend waarbij tevens een bezonningsstudie is aangehecht. De beslissing op bezwaar is verwacht op 14 september 2026.

Ondertussen hebben [gedaagden] een tweede omgevingsvergunning aangevraagd. De omgevingsvergunning ziet grotendeels op dezelfde verbouwingswerkzaamheden als de eerste vergunning, maar onder andere (de verbreding van) de dakopbouw is buiten beschouwing gelaten. [eisers] hebben ook tegen deze tweede vergunningaanvraag bezwaar gemaakt.

[gedaagden] hebben de verbouwingswerkzaamheden vervolgens gedeeltelijk voortgezet. Ten tijde van de mondelinge behandeling ziet de situatie er als volgt uit.

3. Het geschil

[eisers] vorderen, na eiswijzigingen – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] hoofdelijk gebiedt alle bouwwerkzaamheden aan de [adres 2], bestaande uit alle bouwwerkzaamheden ten behoeve / onderdeel van de dakopbouw, de aanbouw en veranda, onmiddellijk te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen werkzaamheden verricht door in opdracht van [gedaagden] handelende derden, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat in strijd met het gebod wordt gehandeld, met een maximum van € 50.000, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend en geboden acht;

II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis al hetgeen is gebouwd ten behoeve van de dakopbouw, de aanbouw en veranda aan de achterzijde van de woning aan de [adres 2], te verwijderen en verwijderd te houden, waaronder begrepen bouwwerken die door in opdracht van [gedaagden] handelende derden zijn gerealiseerd, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van € 50.000, althans een zodanige voorlopige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie passend en geboden acht;

III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Daartoe voeren [eisers] – samengevat – het volgende aan. De bouwactiviteiten, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, leiden tot een aanzienlijke beperking van de lichtinval, een aantasting van het uitzicht, verkokering van het perceel van [eisers] en een aantasting van het woon- en leefklimaat. Ook is door de bouwactiviteiten sprake van opbrengstverlies van een aantal zonnepanelen van [eisers], terwijl verplaatsing van de zonnepanelen geen optie is. Dit alles levert onrechtmatige hinder op.

[gedaagden] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

[eisers] willen – in elk geval voorlopig – dat het [gedaagden] wordt verboden om een dakopbouw, uitbouw en veranda te realiseren en dat zij de al gebouwde werken moeten afbreken. Een dergelijke bouwstop en vordering tot afbraak zijn in kort geding toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en als niet van [eisers] kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.

Spoedeisend belang

Het spoedeisend belang van [eisers] bij de vorderingen volgt daaruit dat [gedaagden] zijn gestart met de bouwwerkzaamheden.

Onrechtmatige hinder?

In deze procedure – waarin de mondelinge behandeling plaatsvond op een moment waarop nog niet duidelijk was of de door [eisers] tegen de omgevingsvergunningen van [gedaagden] ingediende bezwaren gegrond worden verklaard – wordt ervan uitgegaan dat [gedaagden] op grond van de verleende omgevingsvergunningen bevoegd zijn om de uitbouw, veranda en dakopbouw te realiseren. Dat [gedaagden] over de benodigde omgevingsvergunningen beschikken, neemt niet weg dat bij het realiseren van de voorgenomen (en vergunde) bouwwerkzaamheden sprake kan zijn van hinder die zodanig ernstig is dat deze als onrechtmatig jegens [eisers] moet worden gekwalificeerd in de zin van artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 6:162 BW. Partijen zijn het over dit uitgangspunt eens. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat van dusdanige onrechtmatige hinder sprake is dat een bouwstop moet worden opgelegd en het tot op heden door [gedaagden] gebouwde werk moet worden afgebroken. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.

Het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, Ludlage/Van Paradijs). Ook is van belang wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten.

Niet in geschil is dat de voorgenomen dakopbouw leidt tot een vermindering van zonlicht/lichtinval in de tuin en woning van [eisers] De vermindering is aanwezig in de slaapkamer van de dochter van [eisers] die aan de tuin grenst, op de bovenste verdieping van de woning, en op het terras dat direct aan deze slaapkamer grenst. [eisers] onderbouwen de stelling dat deze vermindering van licht onrechtmatig is met de door [architect] uitgevoerde bezonningsstudie. Ook [gedaagden] hebben een bezonningsstudie verricht. Zij hebben de gevolgen van het bouwplan zelf via www.schaduwplan.nl doorgerekend. De studie van [architect] noch de gegenereerde rapportage met gebruikmaking van www.schaduwplan.nl biedt voldoende duidelijkheid over de mate en de ernst van de schaduwwerking. Het door [architect] opgestelde rapport geeft uitsluitend inzicht in de schaduwwerking in de tuin van [eisers] op de dagen 21 juni, 21 juli, 21 augustus en 21 september en op de tijdstippen 16:00 uur, 17:00 uur, 18:00 uur en 19:00 uur. Het rapport geeft daarmee een te beperkt inzicht in de gevolgen van de bouwplannen. Zo is niet duidelijk wat de gevolgen zijn gedurende de rest van het jaar (vanaf oktober – mei) en op andere tijdstippen van de dag (in de ochtend en de (vroege) middaguren). Daarnaast ontbreekt een berekening van de afname van de bezonning in de slaapkamer van de dochter. Het door [gedaagden] zelf opgestelde rapport geeft ook geen inzicht in de bezonning in de slaapkamer en een berekening van de toename in schaduw in de tuin (procentueel en in vierkante meters) ontbreekt. Bovendien is onduidelijk welke waarden [gedaagden] hebben ingevoerd. Op basis van deze rapporten kan niet worden vastgesteld dat de beperking van zonlicht zodanig is dat dit als ontoelaatbaar moet worden gekwalificeerd. In algemene zin kan slechts worden geconcludeerd dat een gedeelte van de slaapkamer van de dochter en een gedeelte van het daaraan grenzende terras dagelijks gedurende enkele uren in de zomer worden overschaduwd. [eisers] hebben daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van onrechtmatige hinder. Daarnaast acht de voorzieningenrechter relevant dat de centrale leefruimtes die het meest intensief worden gebruikt kennelijk geen nadelige gevolgen ondervinden van de bouwplannen van [gedaagden]

[eisers] hebben daarnaast aangevoerd dat door de bouwplannen sprake is van verkokering, het wegnemen van het vrije uitzicht en een aantasting van het woon- en leefklimaat. [eisers] hebben in dit verband onweersproken aangevoerd dat als gevolg van de bouwwerkzaamheden op de erfgrens een muur van 12 meter lang ontstaat. De eerste 4 meter daarvan is 6 meter hoog en daarna is de muur 3 meter hoog, zoals zichtbaar is op de foto onder nummer 2.10. Uit de door partijen overgelegde foto’s volgt dat het uitzicht richting het perceel van [gedaagden] door de uitbouw en de veranda enigszins wordt beperkt, maar dat betreft uitsluitend het zicht op (voorheen) het voorste gedeelte van de tuin van [gedaagden] Daar hadden [eisers] in zekere zin rekening mee kunnen houden. Het staat de eigenaar van een perceel in beginsel immers vrij om het zicht op zijn perceel te beperken door bijvoorbeeld plaatsing van een hekwerk of om (al dan niet vergunningvrij) een gedeelte aan te bouwen. Voor het overige lijkt van een beperking van het uitzicht geen sprake te zijn. Zowel richting de achterzijde van de tuin als richting de erfgrens met huisnummer [huisnummer] blijft het uitzicht namelijk ongewijzigd en geheel vrij. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat realisatie van het bouwplan resulteert (heeft geresulteerd) in verkokering die resulteert in onrechtmatige hinder.

Verder hebben [eisers] onweersproken aangevoerd dat als gevolg van de door [gedaagden] gebouwde dakopbouw minder zonlicht op drie zonnepanelen van [eisers] valt en dat er voor [eisers] geen mogelijkheden zijn om de zonnepanelen te verplaatsen. Hierbij is relevant dat de zonnepanelen van [eisers] er al lagen op het moment dat de dakopbouw door [gedaagden] is gerealiseerd. Het is voldoende aannemelijk dat sprake is van rendementsverlies en dat die hinder blijvend is aangezien [gedaagden] niet voornemens zijn de dakopbouw te verwijderen. De investering van [eisers] in de zonnepanelen is daarom minder nuttig geworden dan zij zou zijn geweest als de dakopbouw niet gerealiseerd was. [gedaagden] zijn daarom mogelijk schadeplichtig jegens [eisers] Dat is echter niet wat in deze procedure beoordeeld moet worden. De vraag is of deze hinder dusdanig onrechtmatig is dat zij geheel achterwege moet blijven. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. [gedaagden] hebben in beginsel namelijk de bevoegdheid (binnen zekere grenzen) een dakopbouw te realiseren en [eisers] hebben daarmee rekening moeten houden. Het nadeel door de opbouw voor het door de panelen optimaliter gerealiseerde rendement is niet zodanig dat van onrechtmatige hinder gesproken kan worden.

Voor de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder zijn ook de verdere omstandigheden van het geval van belang. In dat kader wordt het volgende overwogen. [eisers] hebben aangevoerd dat zij wel rekening hebben gehouden met een schutting van twee meter hoog, maar niet met een muur van drie meter hoog over een lengte van acht meter. Daar staat tegenover dat het [gedaagden] in beginsel vrij staat om hun woning uit te breiden met de uitbouw en veranda. De voorgenomen uitbouw en veranda zijn niet zo ongebruikelijk dat [eisers] die niet op enig moment hadden kunnen verwachten. De woningen bevinden zich weliswaar trapsgewijs op een duin maar ook binnen een stedelijke omgeving waarbij de woning van [eisers] de middelste in een rij van drie woningen is. In een dergelijke omgeving moet men één en ander van elkaar dulden. Er bestaat geen recht op een onbeperkt vrij uitzicht of maximale zonlichttoetreding. [eisers] mochten er dan ook niet zomaar op vertrouwen dat hun uitzicht voor altijd exact hetzelfde zou blijven.

Ook een belangenafweging valt vooralsnog in het voordeel van [gedaagden] uit. [eisers] hebben aangevoerd dat het belang van [gedaagden] om de verbouwing te realiseren ondergeschikt is aan hun belang bij het behoud van lichtinval, uitzicht en opbrengst van de zonnepanelen. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. [gedaagden] hebben een te respecteren belang bij een vergroting van de centrale leefruimte die zich bij [gedaagden] op de ‘tuinverdieping’ bevindt en een vergroting van de tweede verdieping, zodat zij en hun jonge kinderen op dezelfde verdieping kunnen slapen, waarbij – afgezet tegen de belangen van [eisers] – van hen niet zonder meer hoeft te worden verlangd dat zij hun plannen verder aanpassen. Voor [eisers] geldt dat het voornamelijk gaat om de beperking van lichtinval in één slaapkamer en een beperkt gedeelte van de tuin, terwijl onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe groot de beperking van de lichtinval is. Daar komt bij dat het niet om de centrale leefruimte van [eisers] gaat waarvan verwacht mag worden dat men daar de meeste tijd verblijft. Voorts is relevant dat [gedaagden] hebben aangeboden om de muur van de uitbouw en veranda te beplanten, zodat aan die zijde sprake is van een natuurlijke, groene wand, en dat [gedaagden] (de verbreding van) de dakopbouw, rekening houdend met de belangen van [eisers], niet over de gehele lengte van de woning hebben gebouwd terwijl dat wel hun voorkeur had.

Conclusie

Nu naar voorlopig oordeel het voorgenomen bouwplan niet leidt tot het toebrengen van onrechtmatige hinder worden de vorderingen om een bouwstop op te leggen en de al gerealiseerde bouwwerken af te breken afgewezen.

Proceskosten

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 341

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.518

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagden], begroot op € 1.518, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

3556

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand