Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711926 / KG ZA 26-949
Vonnis in kort geding van 1 oktober 2026
in de zaak van
STICHTING ONS DOEL te Leiden,
eiseres,
advocaat: mr. S.E. Roeters van Lennep,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Ons Doel’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. De procedure
Ons Doel heeft de dagvaarding doen uitbrengen op 3 september 2026 en heeft ter zitting van 17 september 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
[gedaagde] is behoorlijk opgeroepen tegen die terechtzitting, maar hij is daar niet verschenen. Tegen [gedaagde] wordt verstek verleend.
2. De beoordeling van het geschil
Ons Doel heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. Er is geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter haar beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop overweegt en oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende niet weersproken feiten.
Ons Doel sloot met [gedaagde] een huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
Op 13 mei 2026 heeft Ons Doel [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter. In die procedure heeft Ons Doel (i) ontbinding van de huurovereenkomst, (ii) ontruiming van de woning, (iii) betaling van de huurachterstand plus wettelijke rente, (iv) betaling van de huur tot het moment van ontruiming plus wettelijke rente en (v) een proceskostenveroordeling gevorderd. Aan de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft Ons Doel ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de huur niet betaalde. [gedaagde] is niet in die procedure verschenen.
Bij (verstek)vonnis van 3 juni 2026 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [gedaagde] veroordeeld om de woning te ontruimen en te verlaten.
Ons Doel wilde de woning vervolgens op 24 juni 2026 (laten) ontruimen. Kort daarvoor, op 22 juni 2026, heeft [gedaagde] echter om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw) verzocht en een WSNP-verzoek ingediend. Ons Doel is niet in deze procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
Bij tussenvonnis van 23 juni 2026 heeft de rechtbank Den Haag Ons Doel verboden de woning te ontruimen totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening van [gedaagde] een eindbeslissing is genomen.
Bij (eind)vonnis van 17 juli 2026 heeft de rechtbank Den Haag Ons Doel verboden tot ontruiming van de woning over te gaan totdat de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken en onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan. Deze voorziening (hierna: het moratorium) vervalt in ieder geval na verloop van zes maanden, gerekend vanaf 23 juni 2026. Uit het vonnis volgt dat in het kader van de belangenafweging aan de zijde van Ons Doel alleen de financiële belangen zijn meegewogen.
Ons Doel is vervolgens de onderhavige procedure gestart, waarin ontruiming van de woning is gevorderd vanwege ernstige en structurele (drugs)overlast.
Overlast
In dit kort geding is niet betwist dat [gedaagde] ernstige en structurele overlast veroorzaakt en dat andere buren en andere huurders van Ons Doel daar veel last van hebben. Dat daarmee sprake is van een ernstige tekortkoming van de huurovereenkomst is op grond van de stukken voldoende duidelijk. Het is echter wel de vraag of dat betekent dat Ons Doel de ontruiming nu alsnog mag doorzetten, ondanks het vonnis van 17 juli 2026 waarin dat expliciet is verboden.
Eerdere beslissingen
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de eerdere procedure bij de kantonrechter door Ons Doel niet naar voren gebracht dat naast een betalingsachterstand (ook) sprake is van ernstige overlast. De beslissing van de kantonrechter in het vonnis van 3 juni 2026 dat [gedaagde] de woning uit moest, is alleen gebaseerd op de betalingsachterstand. Dat maakte dat [gedaagde] aanspraak kon maken op een moratorium in het kader van de WSNP. Dat moratorium is bedoeld om mogelijk te maken dat mensen die vanwege schulden gedwongen hun huis uitmoeten, tijdens de WSNP daar nog mogen blijven wonen zolang de huur wordt betaald. Als de veroordeling tot ontruiming (ook) is gebaseerd op andere tekortkomingen dan alleen een betalingsachterstand, bestaat die mogelijkheid niet.
Ook in de procedure over het moratorium heeft Ons Doel (haar belang bij ontruiming vanwege) de overlast door [gedaagde] niet naar voren gebracht. Ons Doel heeft tijdens de zitting toegelicht dat in eerdere procedures is gebleken dat dergelijke belangen niet kunnen meewegen en alleen financiële belangen in acht worden genomen. Uit jurisprudentie komt naar voren dat inderdaad wel wordt geoordeeld dat andere dan financiële belangen bij de beoordeling van het verzoek om opschorting niet worden meegewogen. In elk geval kan niet met voldoende zekerheid worden gezegd dat Ons Doel de overlast en haar belang bij ontruiming in de procedure over het moratorium naar voren had kunnen en moeten brengen en dit kort geding in feite een – niet toegelaten – beroep is tegen het vonnis over het moratorium.
Opnieuw een voorlopige voorziening?
In dit kort geding doet de voorzieningenrechter de beoordeling van het moratorium vanwege WSNP niet over, maar wordt vooruitgelopen op een oordeel van de kantonrechter over de vraag of [gedaagde] door het veroorzaken van overlast tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst en wel in die mate, dat (ontbinding en) ontruiming gerechtvaardigd is. Als dat het geval is en een uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht, is de vordering toewijsbaar en komt er opnieuw een voorziening, maar nu een voorziening die inhoudt dat [gedaagde] toch de woning uit moet. Niet op grond van de betalingsachterstand, want op die grond mag nu niet worden ontruimd, maar op grond van de overlast. Daarbij werpt de voorzieningenrechter Ons Doel niet tegen dat zij niet al in de eerdere procedure (ook) de overlast aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
Ons Doel heeft uitgebreid beschreven welke overlast [gedaagde] al geruime tijd veroorzaakt. Onder meer uit een recente bestuurlijke rapportage van de gemeente [gemeente] komt ook naar voren welke impact dat heeft op de omwonenden en tijdens de zitting is nog toegelicht dat de overlast de afgelopen periode is toegenomen. Dat is niet weersproken. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de overlast een ernstige tekortkoming oplevert en (ontbinding en) ontruiming rechtvaardigt. Van Ons Doel kan gelet op de ernst van de situatie voor de medehuurders niet gevergd worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De vordering zal daarom worden toegewezen. [gedaagde] zal de woning moeten verlaten op een termijn van een week na betekening van dit vonnis.
De conclusie is dat het gevorderde de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en zal worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ons Doel worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 760
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.837,02
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verleent verstek tegen gedaagde;
veroordeelt [gedaagde] om – vanwege door hem veroorzaakte structurele en ernstige overlast – de woning aan het adres [adres] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis geheel te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze 1aatste niet het eigendom van [gedaagde] zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [gedaagde] te stellen;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Ons Doel, begroot op € 1.837,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
3556