RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23092
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL26.23177.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Als tolk is verschenen [naam tolk].
Overwegingen
Beroepsgronden
1. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiser een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht heeft. Eiser heeft verklaard samen met zijn Spaanse vriendin in Spanje te wonen en daar bezig te zijn met het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft eiser ter zitting aangeboden de betreffende aanvraag over te leggen. Aangezien eiser dus verblijf in Spanje heeft, had verweerder aan eiser een terugkeerbesluit naar Spanje (en niet naar Marokko) moeten opleggen. Daarnaast stelt eiser dat de SIS-signalering, die het gevolg is van het terugkeerbesluit, negatieve gevolgen heeft voor zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in Spanje. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van illegale arbeid.
Juridisch kader
2. Uit artikel 61, eerste lid, in verbinding met artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat verweerder aan een vreemdeling, zijnde een derdelander, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft een terugkeerbesluit moet opleggen (tenzij één van de in artikel 62a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw genoemde uitzonderingen zich voordoet).
Een terugkeerbesluit is een belastend besluit. Dit betekent dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden en om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van een terugkeerbesluit, waaronder de voorwaarde dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 28 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1346) uiteengezet op welke wijze verweerder in het algemeen een terugkeerbesluit dient voor te bereiden. Dat is als volgt. Alvorens een terugkeerbesluit te nemen moet verweerder de vreemdeling tijdens een gehoor in voldoende mate in de gelegenheid stellen om feiten over zijn situatie naar voren te brengen. Zo nodig moet door verweerder naar aanleiding van de gegeven verklaringen worden doorgevraagd. Op die manier heeft de vreemdeling de mogelijkheid om persoonlijke omstandigheden aan te voeren die ondersteunen dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder moet met de nodige aandacht kennisnemen van de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante gegevens zorgvuldig onderzoeken.
Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat als de vreemdeling – die voorafgaand aan het terugkeerbesluit geen aanvraag om toetsing aan het Unierecht heeft ingediend – tijdens het gehoor voldoende concrete aanknopingspunten aandraagt die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft, verweerder gehouden is het bestaan van dit verblijfsrecht nader te onderzoeken. Dit kan verweerder bijvoorbeeld doen door tijdens het gehoor concrete vervolgvragen te stellen, de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn verklaringen toe te lichten en de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om zijn verklaringen met documenten te onderbouwen.
In het geval een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit geen aanvraag om toetsing aan het EU recht heeft ingediend, is het in de eerste plaats aan hem om tijdens het gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. Verweerder moet vervolgens, mede op basis van het geheel aan verklaringen, beoordelen of sprake is van voldoende concrete aanknopingspunten die erop duiden dat de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht heeft. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat verweerder gehouden was nader onderzoek te verrichten naar het mogelijke bestaan van een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het terugkeerbesluit verklaard dat hij een vriendin in Spanje heeft. Anders dan eiser stelt, heeft hij daarbij niet aangegeven dat zij de Spaanse nationaliteit heeft en dat hij met haar samenwoont. In zijn gehoor voorafgaand aan het terugkeerbesluit heeft eiser evenmin verklaard dat hij bezig is met het aanvragen van een verblijfsvergunning in Spanje. Het betoog dat verweerder het terugkeerbesluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid slaagt dus niet.
4. Eiser stelt verder dat hij in Spanje een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft ingediend. Los van de vraag of eiser deze aanvraag al ten tijde van het terugkeerbesluit had ingediend en of een dergelijke aanvraag legaal verblijf oplevert in de zin van de Terugkeerrichtlijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Spanje een aanvraag heeft ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verzocht een kopie van de niet-vertaalde aanvraag te mogen overleggen, maar dat verzoek heeft de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde geweigerd. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. Eiser stelt dat hij een Spaanse vriendin heeft, maar die stelling heeft hij niet nader toegelicht en op geen enkele wijze onderbouwd met stukken.
5. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, nu eiser geen stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Spanje heeft gedaan, bij voorbaat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van eisers stelling dat de SIS-signalering negatieve gevolgen heeft voor zijn aanvraag in Spanje. Aangezien verder niet is gebleken dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf had in Spanje en eiser ook niet heeft betwist dat hij uit Marokko komt, was verweerder op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw verplicht om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Gelet op het voorgaande, is dit terugkeerbesluit dan ook terecht gericht op terugkeer naar Marokko (en niet, zoals eiser betoogt, op terugkeer naar Spanje).
6. De vraag of eiser ten tijde van zijn staandehouding aan het werk was, is niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en behoeft daarom geen beantwoording in deze zaak.
7. De rechtbank heeft tot slot, gelet op het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, op basis van het dossier ambtshalve bezien of uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in dit geval niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.