ECLI:NL:RBDHA:2026:30071

ECLI:NL:RBDHA:2026:30071

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.54460
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing aanvraag mvv gezinsleden Gaza, niet voldoen aan voorwaarden jongvolwassenenbeleid, ook geen sprake van BEVA; wel spoedeisend belang maar verzoek afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54460

[verzoeker 1] , [verzoekster 1] ; hierna samen ook: de ouders), [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , en [verzoekster 2] ; hierna samen: verzoekers),

(gemachtigde: mr. B. Demirhan),

en

(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2026 (het afwijzingsbesluit) heeft verweerder de namens verzoekers ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het afwijzingsbesluit bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van verzoekers, [persoon A] (referent), [persoon B] , tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding

1. Verzoekers stellen de Palestijnse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1966, [geboortedatum 2] 1970, [geboortedatum 3] 1999, [geboortedatum 4] 2000 en [geboortedatum 5] 2006. Zij wonen in Gaza en wensen verblijf bij referent, hun zoon respectievelijk broer. Referent heeft sinds 4 juli 2024 een asielvergunning in Nederland. Op 17 april 2026 heeft referent de mvv-aanvraag ingediend voor verzoekers.

2. Met het afwijzingsbesluit heeft verweerder de ten behoeve van verzoekers ingediende mvv-aanvraag afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de identiteit van verzoekers niet aannemelijk is gemaakt. Toch acht verweerder de familierechtelijke relatie tussen verzoekers en referent wel aannemelijk. Er wordt echter geen mvv aan hen verstrekt, omdat referent niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet en evenmin is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekers en referent om familieleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan te nemen.

3. Verzoekers hebben tegen het afwijzingsbesluit bezwaar gemaakt. Verweerder zal daarop nog een beslissing moeten nemen. In het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening staat dat verzoekers met het verzoek willen bereiken dat de rechtsgevolgen van het afwijzingsbesluit worden geschorst. Ter zitting hebben verzoekers verduidelijkt dat zij met hun verzoek beogen dat de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorziet en aan verzoekers een mvv verleent zodat zij het zeer onveilige en instabiele Gaza kunnen verlaten. Dit is met name van belang omdat [verzoeker 1] en [verzoekster 1] gezondheidsklachten hebben en de toegang tot gezondheidszorg in Gaza zeer beperkt is.

4. Verweerder heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek, omdat volgens hem niet is gebleken van spoedeisend belang. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet onverwijld ingediend en niet is met stukken onderbouwd dat de medische klachten van [verzoeker 1] en [verzoekster 1] inmiddels in zwaarwegende mate zijn verergerd of dat er op dit moment bijvoorbeeld geen of een te beperkte toegang is tot medische zorg. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de gevraagde voorziening geen tijdelijk karakter heeft. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt verweerder voor een voldongen feit gesteld. Er bestaan volgens hem ook onvoldoende aanknopingspunten om sterk te twijfelen aan de rechtmatigheid van het afwijzingsbesluit.

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorziening die door verzoekers is gevraagd, geen voorlopig karakter heeft, omdat toewijzing hiervan er toe leidt dat verzoekers Nederland mogen inreizen. Door toewijzing van het verzoek ontstaat dus feitelijk de situatie die verzoekers met de mvv-aanvraag hebben beoogd. De gevolgen van de toewijzing van de voorlopige voorziening zijn in die zin onomkeerbaar, waardoor verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.

Is sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang?

7. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat de huidige veiligheidssituatie in Gaza, het gebrek aan voedsel en medicijnen, de beperkte toegang van inwoners van Gaza tot de benodigde gezondheidszorg, in combinatie met de niet-tijdelijke medische problemen van zowel [verzoeker 1] als [verzoekster 1] , maken dat sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang. Uit algemeen bekende landeninformatie blijkt immers dat de situatie in Gaza uiterst schrijnend is, niet alleen door de dagelijkse doden die nog steeds vallen als gevolg van geweld door het Israëlische leger, maar ook doordat de overlevingskansen sowieso steeds kleiner worden als gevolg van de humanitaire crisis en de bijna ingestorte gezondheidszorg. Verzoekers lopen hierdoor iedere dag een groot risico om (dodelijk) slachtoffer te worden van de huidige situatie in Gaza en er is geen zicht dat de situatie op korte termijn sterk zal verbeteren. De omstandigheden dat het verzoek om een voorlopige voorziening pas op 15 september 2026 is ingediend en geen recente medische stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de gezondheidssituatie van [verzoeker 1] en [verzoekster 1] achteruit is gegaan, leiden niet tot een ander oordeel. Immers is niet in geschil dat [verzoeker 1] en [verzoekster 1] gezondheidsproblemen hebben en dat er medicatie nodig is. Dat, in samenhang met de hiervoor beschreven situatie in Gaza, maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Kan sterk worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het afwijzingsbesluit, en heeft het bezwaar derhalve redelijke kans van slagen?

8. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Verzoekers hebben aangevoerd dat referent tot aan zijn vertrek uit Gaza bij verzoekers in huis heeft gewoond en zorg heeft gedragen voor zijn ouders. Er is volgens verzoekers sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid gezien de zorgtaken die referent verrichtte voor zijn ouders, terwijl zijn broers in een andere provincie werkten en daardoor doordeweeks niet thuis konden zijn. [verzoekster 2] was op dat moment nog te jong om voor haar ouders te zorgen. De omstandigheid dat er na het vertrek van referent uit Gaza andere gezinsleden voor de ouders zorgen, maken niet dat een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen referent en zijn ouders is uitgesloten. Omdat sprake was van een vluchtsituatie, kan niet worden tegengeworpen dat referent op dit moment geen zorgtaken meer verricht voor zijn ouders.

Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, volgt dat familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen kan bestaan, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig zijn. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst, voor zover die zijn aangevoerd, moeten in die beoordeling een rol spelen. Verder kan de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in zijn beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid alle relevante door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden heeft betrokken.

Ten aanzien van het element samenwonen mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat alleen de omstandigheid dat referent voor zijn vlucht uit Gaza samenwoonde met verzoekers niet voldoende is om te spreken van een bijkomend element van afhankelijkheid. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat referent al sinds 31 augustus 2023 niet meer met verzoekers samenwoont en dat dat een aanzienlijke periode is. Hoewel het aanvankelijk een onvrijwillige scheiding betrof, omdat referent Gaza is ontvlucht, stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat referent sindsdien belangrijke stappen naar zelfstandigheid heeft gezet door op zichzelf te wonen en door te werken.

Ten aanzien van de medische afhankelijkheid heeft verweerder mogen betrekken dat de meerderjarige broers en zus van referent nog steeds bij hun ouders thuis wonen en dat zij medische zorg kunnen verlenen aan hun ouders. Dat is een relevant verschil met de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 4 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25966, waar het desbetreffende hulpbehoevende gezinslid alleen achter zou blijven, omdat aan de andere gezinsleden wel een mvv was verstrekt. Het beroep van verzoekers op die uitspraak kan daarom niet tot het door hen daarmee beoogde resultaat leiden. De verklaringen van de broers van referent, waarin staat omschreven welke zorgtaken referent verrichtte voor zijn ouders toen hij nog thuis woonde, kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Deze verklaringen laten immers onverlet dat de situatie waarin referent niet thuis woont en waarbij de zorgtaken door andere gezinsleden worden verricht, inmiddels al een lange tijd voortduurt. Verweerder heeft ter zitting in dit kader ook terecht opgemerkt dat uit de verklaringen van de broers kan worden afgeleid dat de ouders in de periode waarin referent nog thuis woonde ook al niet exclusief afhankelijk waren referent, nu [verzoeker 3] heeft verklaard dat hij op donderdag terugkeerde naar huis, op zaterdag weer naar zijn werk vertrok en dat hij de dagen dat hij thuis verbleef zijn ouders hielp voor zover hij kon. Verder heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat de zorg die aan de ouders verleend wordt, niet meer toereikend is sinds referent Gaza heeft verlaten of dat de gezondheidssituatie van de ouders achteruit is gegaan. Voorts volgt uit de stelling dat [verzoeker 3] , na het vertrek van referent uit Gaza, is teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis om voor de ouders te zorgen niet dat de ouders afhankelijk zijn van referent om de door hen benodigde hulp te verkrijgen. Immers, hieruit kan juist worden afgeleid dat deze hulp ook door anderen kan worden en ook daadwerkelijk wordt gegeven.

Bij de beoordeling van het element financiële afhankelijkheid heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheid dat referent verzoekers financieel steunt niet kan worden afgeleid dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat de financiële ondersteuning door referent op afstand kan blijven plaatsvinden, zoals referent ook al geruime tijd doet.

Met betrekking tot de emotionele afhankelijkheid heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het begrijpelijk is dat referent verzoekers wil steunen omdat zij in een moeilijke situatie zitten, maar dat dit niet betekent dat referent en verzoekers meer dan normaal afhankelijk zijn van elkaar. Dit volgt voor de voorzieningenrechter ook niet uit de overgelegde screenshots van telefoon- en chatgesprekken, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van intensief contact tussen verzoekers en referent. Bovendien is niet duidelijk tussen wie deze communicatie heeft plaatsgevonden. Verder blijkt uit het overzicht van telefoon- en chatgesprekken dat er lange periodes tussen de contactmomenten zitten en gaat het voor een groot deel om (gemiste) oproepen waarvan de inhoud onbekend is. Dat dit enkel zou komen door de oorlog volgt de voorzieningenrechter niet zonder meer, nu verzoeker ook al geruime tijd voor de oorlog uit Gaza weg was. Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat de ouders met de broers en zus van referent samenwonen en dat referent zijn rol als vertrouwenspersoon en aanspreekpunt op afstand kan blijven uitoefenen. Hoewel dat niet hetzelfde is als fysiek contact en het wenselijk zou zijn voor verzoekers om bij elkaar te zijn, zeker gezien de moeilijke situatie waarin verzoekers zich op dit moment bevinden, is dat op zichzelf en in samenhang bezien met de andere, hiervoor genoemde, elementen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De verwijzing van verzoekers naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 3 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11692, doet aan het voorgaande niet af, omdat in die zaak, anders dan in deze zaak, geen sprake was van meerderjarige broers of zussen en dat hechte persoonlijke banden zijn aangenomen tussen de betreffende referent en zijn minderjarige broertje en zusje. Andere relevante verschillen met die uitspraak zijn dat de betreffende referent in die zaak al voor zijn vertrek uit Gaza een belangrijke rol had binnen het gezin om voor voldoende inkomsten te zorgen en dat het betreffende gezin niet meer in hun ouderlijk huis kon wonen maar had moeten vluchten naar een geïmproviseerd tentenkamp.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder in het afwijzingsbesluit, ook indien de voormelde elementen in onderlinge samenhang worden bezien, dan ook concluderen dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er tussen hen en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft derhalve geen beschermenswaardig gezinsleven tussen verzoekers en referent hoeven aannemen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Voor zover verzoekers hebben willen betogen dat verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM had moeten maken, volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, dat in zaken waar geen familie- of gezinsleven wordt aangenomen, verweerder geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM hoeft te verrichten. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan de stellingen van verzoekers in het kader van die belangenafweging.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van de thans beschikbare stukken onvoldoende aanleiding bestaat om sterk te twijfelen aan de rechtmatigheid van het afwijzingsbesluit en dat het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen heeft. Ook bij de afweging van de betrokken belangen bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.L. Rademakers - Heins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand