RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55850
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Met het besluit van 6 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 24 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Op 24 september 2026 is de maatregel opgeheven omdat eiser is uitgezet. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 augustus 2026 (in de zaak NL26.44838) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 17 augustus 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 17 augustus 2026 tot 24 september 2026 (de dag van opheffing van de bewaring).
Beoordeling van artikel 59, derde lid, van de Vw
3. Eiser betoogt dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw. Eiser heeft verklaard dat hij zelfstandig wil terugkeren naar Turkije. Bij brief van 18 september 2026 van de IOM is bekend geworden dat er een vlucht voor eiser is geboekt voor 24 september 2026. Eiser stelt dat de bewaring had moeten worden beëindigd zodra hij te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Dat is het geval per 18 september 2026. Eiser stelt dan ook dat de maatregel van bewaring per 18 september 2026 onrechtmatig is geworden.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 59, derde lid, van de Vw staat dat de bewaring van een vreemdeling achterwege blijft indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan. Eiser heeft immers alsnog te kennen gegeven Nederland zelfstandig te willen verlaten, in welk kader hij contact heeft gelegd met de IOM. Via de IOM is een vliegticket voor eiser naar Turkije geboekt, met vertrek op 24 september 2026. Daarmee heeft eiser zijn vertrekwens voldoende geconcretiseerd (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2045). Eiser beschikte verder - zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd - over een geldig reisdocument, zodat voor hem ook de gelegenheid bestond om Nederland te verlaten. Verweerder heeft ter zitting volstaan met een verwijzing naar de gronden van de maatregel en gesteld dat (doorslaggevende) waarde moet worden gehecht aan de omstandigheid dat eiser eerder te kennen heeft gegeven Nederland niet te willen verlaten. Deze enkele omstandigheid leidt echter nog niet tot het oordeel dat de – geconcretiseerde - vertrekwens alsnog ongeloofwaardig moet worden geacht. Zoals namens eiser ter zitting is toegelicht, heeft de afwijzing van zijn asielaanvraag voor een kentering gezorgd (naast, naar de rechtbank begrijpt, een financiële prikkel), en ervoor gezorgd dat hij Nederland vrijwillig wilde verlaten, wat hij vervolgens ook met behulp van de IOM heeft geregeld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf 18 september 2026 onrechtmatig is geworden.
Ambtshalve toetsing
4. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op een eerder moment dan 18 september 2026 onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel was vanaf 18 september 2026 onrechtmatig.
De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 7 x € 120,- = € 1.120,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen (zijnde aldus 2 punten, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.