ECLI:NL:RBDHA:2026:30083

ECLI:NL:RBDHA:2026:30083

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.56933
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, Grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56933

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon A] .

Overwegingen

Grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiser betoogt – kort gezegd - dat de screeningsprocedure nog niet was geëindigd toen de grensdetentie aanving. Volgens eiser is dit onverenigbaar met het Unierecht. In dit kader beroept eiser zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:26835) en de tussenuitspraak van zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:26975).

De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat is aangekruist dat sprake is van vrijheidsontneming in verband met de screeningsprocedure, alsmede dat aanleiding bestaat om de maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw op te leggen, maakt dat niet anders. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is de screeningsprocedure abusievelijk aangekruist en is de maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077, ro. 7 e.v.) volgt evenzo dat het aankruisen van zowel het behandelen van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure als het aankruisen van vrijheidsontneming in verband met de screening niet naast elkaar kunnen bestaan. Gelet op deze uitspraak betekent dat echter niet dat de grensdetentie onrechtmatig aan eiser is opgelegd. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij het zwaar heeft in detentie, nu hij geen contact heeft met zijn familie en gezin en hij daarnaast last heeft van buikklachten. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat eiser de toepassing van de maatregel onevenredig bezwarend acht.

Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 volgt dat verweerder in het grensbewakingsbelang in beginsel voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Dat belang is hier aan de orde nu nog moet worden geoordeeld of eiser toegang krijgt tot het grondgebied. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent echter niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Hiervan wordt - ingevolge het bepaalde in artikel 5.5, tweede lid, van het Vb – afgezien indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken. In hetgeen eiser naar voren toe heeft gebracht ziet de rechtbank - met verweerder – daarvoor geen grond. Zoals verweerder in de maatregel heeft opgemerkt, is niet gebleken van een afhankelijkheidsrelatie (ten opzichte van alhier verblijvende familieleden) die de grensdetentie onevenredig bezwarend maken. Daarnaast geldt dat medische zorg in het detentiecentrum beschikbaar is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

5. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand