RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58123
geboren op [geboortedatum] ,
van Georgische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiseres is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel is onrechtmatig. De minister heeft bij de beoordeling van de vraag of met een lichter middel kon worden volstaan de door eiseres aangevoerde psychische omstandigheden onvoldoende kenbaar bij zijn afweging betrokken. Er is reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 30 september 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres (via een videoverbinding), een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Zo heeft eiseres op 19 februari 2025 verzocht om toetsing aan het gemeenschapsrecht. Bij besluit van 3 oktober 2025 is de aanvraag van eiseres afgewezen en is aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Hieraan heeft eiseres geen gevolg gegeven. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden a, b, h en r de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze gronden in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de grond s daarom onbesproken.
Lichter middel
8. De minister heeft ter zitting aangegeven dat de door eiseres gestelde claustrofobie weliswaar niet als zodanig in de maatregel is genoemd, maar dat hiermee wel rekening is gehouden bij de beoordeling. Verder is door de minister aangegeven dat eiseres de claustrofobie niet met documenten heeft onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de vraag of met een lichter middel had moeten worden volstaan, onvoldoende is ingegaan op de door eiseres gestelde medische omstandigheden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden uitdrukkelijk bij zijn beoordeling dient te betrekken. De rechtbank stelt vast dat de minister in de maatregel geheel niet is ingegaan op de verklaring van eiseres dat zij last heeft van claustrofobie, zoals volgt uit het proces-verbaal bij de maatregel. De in de maatregel opgenomen overwegingen ten aanzien van de medische situatie zien enkel op de hartproblemen van eiseres. Nu de minister de claustrofobie niet uitdrukkelijk heeft betrokken bij de beoordeling, kan de rechtbank niet vaststellen dat hiermee rekening is gehouden bij de beoordeling. Dat eiseres de claustrofobie niet met documenten zou hebben onderbouwd laat verder onverlet dat de minister gehouden is de aangevoerde omstandigheden kenbaar in de beoordeling te betrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in het geval van eiseres niet met een lichter middel had moeten worden volstaan.
Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 oktober 2026.
10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, omdat eiseres onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt
€ 1.600,-.
11. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op zitting.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.