ECLI:NL:RBDHA:2026:3009

ECLI:NL:RBDHA:2026:3009

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer AWB 26/2418
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk, omdat er geen connexe bodemzaak is.

Uitspraak

[naam] , uit [plaats] , verzoekster

V-nummer: [nummer]

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)

(gemachtigde: mr. A. Tardjopawiro).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het mogelijk eindigen van de logeerregeling. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt of het verzoek ontvankelijk is.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat hebben partijen aangevoerd?

2. Met verzoekster is een zogenoemde logeerovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst verblijft verzoekster tijdens de logeerperiode bij familie/vrienden of een gastgezin met behoud van Rva-verstrekkingen (uitgezonderd onderdak).

Verzoekster heeft op 10 februari 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft daarbij aangegeven dat het COa haar logeerregeling wil beëindigen en haar wil overplaatsen naar een opvanglocatie.

Met het e-mailbericht van 12 februari 2026 is verzoekster in de gelegenheid gesteld om aan te geven tegen welk besluit zij opkomt en of er een bodemprocedure aanhangig is. Het COa is in de gelegenheid gesteld om op het verzoek om een voorlopige voorziening te reageren.

Verzoekster heeft in haar e-mailbericht van 12 februari 2026 aangegeven dat op 18 februari 2026 een gesprek zal plaatsvinden met het COa. Aan haar is medegedeeld dat naar aanleiding daarvan een besluit zal worden genomen om de logeerregeling te beëindigen. Een bevestiging hiervan is per e-mail aan haar verzonden. Dit e-mailbericht heeft verzoekster als bewijsstuk meegezonden. Hoewel het formele besluit nog niet is afgegeven, is het duidelijk dat dit besluit op zeer korte termijn zal volgen en directe, ernstige gevolgen zal hebben voor haar gezinsleven, aldus verzoekster.

Het COa heeft op 13 februari 2026 een reactie aan de voorzieningenrechter doen toekomen. Volgens het COa heeft de IND het asielverzoek van verzoekster met het besluit van 28 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Daarom is verzoekster uitgenodigd om dit besluit van de IND in relatie tot de logeerovereenkomst met haar te bespreken, ook om de voor haar beschikbare opvanglocatie te bespreken. Het COa meent dan ook dat er thans nog geen sprake van een voor beroep vatbaar besluit, los van de vraag of stopzetting van de logeerovereenkomst een besluit is conform de Awb. Afhankelijk van het gesprek op 18 februari 2026 zal bepaald worden of de logeerovereenkomst stopgezet zal worden. Het COa stelt zich daarom op het standpunt dat het verzoek om voorlopige voorziening te vroeg is ingediend en niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Wat vindt de voorzieningenrechter?

3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen. De voorzieningenrechter stelt vast, hoewel nadrukkelijk is verzocht om aan te geven wat de bodemzaak is, dat niet is gesteld of gebleken dat er een bezwaarschrift of beroepschrift tegen een (met een voor beroep gelijk te stellen) besluit is ingediend. Omdat er geen hoofdzaak is, is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste.

Voor zover het verzoek van 10 februari 2026 zich richt tegen het mogelijk beëindigen van de logeerregeling is de voorzieningenrechter van oordeel, nog daargelaten of sprake is van een besluit in de zin van de Awb, dat van een daadwerkelijke beëindiging (nog) niet is gebleken. Ook tegen de mededeling van het COa dat naar aanleiding van het gesprek een besluit zal worden genomen om de logeerregeling te beëindigen, waarvan verzoekster per e-mailbericht een bevestiging heeft ontvangen, heeft verzoekster geen bezwaar of beroep ingediend. Het voorgaande betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een aan dat verzoek connexe bezwaar- of beroepsprocedure.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzoek niet in behandeling kan worden genomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

buiten staat te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?