RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58979
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 7 oktober 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 8 oktober 2026 een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 8 oktober 2026.
Overwegingen
1. Eiser is op 2 oktober 2026 om 18:26 uur aangekomen op Schiphol en heeft vervolgens een asielwens geuit. Eiser heeft op grond van artikel 4.6 van het Vb een aanwijzing gekregen om zich voor een nacht op te houden in de internationale lounge. Op 3 oktober 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft verweerder het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Het beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
2. De maatregel is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van deze bepaling kan, in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningsverordening, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland een asielwens uit. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Vereist is dat aan de grens een verzoek om internationale bescherming is ingediend en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang als vastgelegd in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met e, van de Schengengrenscode. De vrijheidsontnemende maatregel wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat de maatregel niet berust op een voldoende concrete feitelijke grondslag. Er is geen noodzaak om eiser met het oog op identiteits- of nationaliteitsonderzoek in detentie te houden. Voor zover de maatregel is gebaseerd op een nog lopende screening, is niet gemotiveerd welke gegevens uitsluitend door vrijheidsontneming konden worden verkregen. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verklaringen van eiser tijdens het gehoor. Eiser heeft verklaard dat hij gevaar loopt in zijn eigen land en transgender is. Eiser is niet gevraagd naar de gevolgen van zijn transitie, zijn genderidentiteit, eventuele gevoelens van onveiligheid, medische of psychische begeleiding en welke opvanglocatie voor hem passend en veilig zou zijn. Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en er is geen individuele beoordeling gemaakt. Ten onrechte is aangekruist in de maatregel dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de maatregel onevenredig bezwarend maken. Verweerder heeft hierbij ook onvoldoende rekening gehouden met eisers jonge leeftijd; eiser is nog maar net 18 jaar oud. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar het beschikbare alternatief van opvang buiten detentie.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5. Uit de maatregel volgt dat deze zowel in het kader van het nemen van een beslissing op de asielaanvraag als in het kader van de screening van eiser is opgelegd. Eisers asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure omdat hij aan de buitengrens een asielwens geuit en hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland. Op de asielaanvraag is nog niet beslist. Daarmee is verweerder bevoegdheid tot het op leggen van de vrijheidsbenemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw.
6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Zoals is overwogen in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan. Deze beoordeling strekt niet verder dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser met de gestelde vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. Verweerder heeft dan ook aan de op hem rustende onderzoekplicht voldaan.
8. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard gezond te zijn en geen medicatie te gebruiken. Ook heeft hij verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen het verblijf in een gesloten detentiecentrum gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag in de grensasielprocedure. Gelet hierop heeft verweerder in de maatregel terecht overwogen dat door eiser geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de maatregel onevenredig bezwarend maken. De verklaringen van eiser dat hij transgender is en gevaar loopt in zijn land van herkomst, zijn afgelegd in het kader van zijn asielprocedure. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel niet verklaard dat dit een omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden bij het opleggen van de maatregel. Dat eiser net meerderjarig is en aangeeft dat hij transgender is, biedt als zodanig nog geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat de vrijheidsbenemende maatregel voor hem onevenredig bezwarend is. Niet is gebleken van bijkomende feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval aanvullend onderzoek naar een bijzondere opvangbehoefte is aangewezen.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.