ECLI:NL:RBDHA:2026:30103

ECLI:NL:RBDHA:2026:30103

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer NL26.58325
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

bewaring - artikel 59a Vw – ongegrond – overdracht Spanje – onderduikrisico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58325

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de maatregel van bewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank hiervan op dezelfde dag in kennis gesteld. Eiser wordt geacht hiermee beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Met instemming van partijen is een zitting achterwege gebleven en is volstaan met schriftelijke behandeling. Eiser heeft bij aanvullend beroepschrift van 1 oktober 2026 de gronden van het beroep kenbaar gemaakt. Verweerder heeft op 8 oktober 2026 schriftelijk verweer gevoerd. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder diezelfde dag nog nadere informatie verstrekt. Eiser heeft op 9 oktober 2026 hierop schriftelijk gereageerd. Hierna heeft de rechtbank op 9 oktober 2026 het onderzoek in de zaak gesloten.

Beoordeling

1. Op grond van artikel 59a van de Vw kan verweerder vreemdelingen op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Ambv. Artikel 44 van de Ambv stelt als voorwaarden dat er een onderduikrisico moet bestaan en dat bewaring alleen mogelijk is na een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover bewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Uit de in het dossier aanwezige gegevens uit Eurodac blijkt dat eiser op 26 augustus 2025 in Spanje is geregistreerd. Eiser is naar zijn zeggen in augustus 2026 naar Nederland gekomen en heeft hier asiel aangevraagd. Voor zover eiser aanvoert dat de maatregel hierover tegenstrijdig is omdat daarin staat vermeld dat eiser op 26 augustus 2026 in Spanje asiel heeft gevraagd, volgt de rechtbank verweerder in diens opmerking dat dit een kennelijke verschrijving betreft. De maatregel vermeldt verder dat Spanje is gevraagd om eiser terug te nemen en dat de Spaanse autoriteiten de terugname op 21 augustus 2026 bevestigd.

3. Verweerder heeft gelet hierop terecht aangenomen dat de Asiel- en migratiebeheerverordening op eiser van toepassing is en de maatregel gebaseerd op artikel 59a van de Vw 2000.

4. Verweerder heeft aangenomen dat in dit geval een onderduikrisico bestaat. Daartoe heeft verweerder in de motivering van de maatregel als gronden opgenomen dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser voert aan dat deze gronden niet voldoende zijn om een significant risico op onderduiken aan te nemen. Hij stelt daartoe dat de gronden c, j, p, r en s niet juist, dan wel niet voldoende gemotiveerd zijn.

6. De rechtbank stelt met eiser vast dat grond j niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd omdat de in die grond genoemde situatie zich hier niet voordoet.

7. Daarnaast is de rechtbank met eiser van oordeel dat ook de grond p niet kon worden opgenomen op de wijze zoals gemotiveerd in de maatregel. Daarbij is namelijk verwezen naar het feit dat eiser met ingang van 28 september 20226 staat geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ waardoor eiser zich niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn overdracht aan Spanje. In de maatregel wordt hier ten onrechte de conclusie aan verbonden dat eiser geen rechtmatig verblijf voor Nederland heeft en dat hij dit illegaal verblijf niet heeft gemeld bij de korpschef. Op grond van artikel 8 onder m, van de Vw heeft eiser immers rechtmatig verblijf in afwachting van de feitelijke overdracht aan Spanje. Voor zover eiser sprake was van een op eiser rustende meldplicht waaraan hij zich niet heeft gehouden, betrof dat dus niet een meldplicht van onrechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 4.39 van het Vb. Aldus is in de maatregel niet feitelijk gemotiveerd dat eiser zich niet heeft gehouden aan een van zijn verplichtingen op grond van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

8. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat in de maatregel voldoende gronden zijn opgenomen om een risico op onderduiken aan te nemen. Allereerst is de a-grond feitelijk juist aangezien eiser zonder documenten Nederland is binnengekomen en het hem niet vrij stond om vanuit Spanje naar Nederland verder te reizen. Daarnaast heeft verweerder nog, met verwijzing naar een MOB-melding van het COA van 28 september 2026, gemotiveerd dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn meldplicht. Gelet op eisers strafrechtelijke aanhouding op genoemde datum is er geen aanleiding om aan de juistheid van de MOB-melding te twijfelen.

9. Ook de c-grond is feitelijk juist en – anders dan eiser stelt - voldoende gemotiveerd. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij ‘ergens twee jaar geleden’ zonder paspoort of identiteitsbewijs vanuit Tunesië naar Spanje is gereisd en dat hij daarna nooit heeft geprobeerd om alsnog een paspoort te krijgen.

10. Deze beide gronden zijn al voldoende om aan te nemen dat, gelet op de specifieke situatie van eiser, een risico op onderduiken bestaat. Daarnaast is in de maatregel terecht als r-grond tegengeworpen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft (hij niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen) en zich in zoverre niet beschikbaar houdt voor zijn vertrek uit Nederland. Evenzeer terecht is (als s-grond) opgenomen dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan wat een eventueel vrijwillig vertrek uit Nederland bemoeilijkt. De overige gronden hoeven om die reden geen nadere bespreking.

11. Verweerder heeft met verwijzing naar de gronden voor de maatregel ook voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstaat om bedoeld risico op onderduiken te ondervangen. Daarbij heeft verweerder in het bijzonder kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser zich ongeoorloofd naar eigen inzicht tussen de lidstaten beweegt. Voor zover eiser bezwaar maakt tegen het feit dat hem in dit verband ook is tegengeworpen dat hij wordt verdacht van het plegen van strafbare feiten, doet dat aan het voorgaande niet af.

12. In de maatregel is verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring van eiser onevenredig moet worden geacht. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar zijn psychische gesteldheid. De maatregel verwijst in dit verband naar eisers verklaring dat hij geestelijke problemen heeft nadat hij in Spanje was aangevallen, maar dat hij niet onder doktersbehandeling staat en geen medicatie gebruikt. Op grond van die verklaringen mag vooralsnog worden aangenomen dat het voor eiser niet onevenredig bezwarend is om detentie te ondergaan. De maatregel vermeldt daarbij terecht dat eventueel noodzakelijk geestelijke gezondheidszorg ook in detentie wordt geboden. Eisers standpunt dat verweerder op voorhand een nadere onderzoeks- of motiveringsplicht heeft volgt de rechtbank niet.

13. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig is.

14. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. A. Hiddouch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand